Preikestolen, de bovenkant

Maandag 16 juli 2018

Een Aziatische vrouw met een kitscherige parasol tegen de felle zon, in het goudgeel gehulde look-alikes van de dalai lama, zwetende vaders als dappere sherpa’s, hun kinderen in ingenieuze draagsystemen op de rug, oudere dames die zich een weg banen met twee Nordic walking prikkers waar je ze eerder een Noorse trui mee zou zien breien. Naar zonnecrème ruikt het hier, naar zweet en deo. Flarden Spaans, Noors, plat Antwaarps, Duits…

Het kleurrijk circus waarin we aanbeland zijn is de wandeltocht naar de Preikestolen, de (t)róts van Noorwegen.

Een karavaan van mensen van alle leeftijden, alle nationaliteiten, jong en oud, dik en dun, mooi en minder mooi, hijst zich hier de 600m op naar de rots aller rotsen. Alle mogelijke merken van outdoor kleding en sportief schoeisel passeren hier de revue, de ene outfit al eleganter dan de andere. Maar circus of niet, het zijn voor iedereen dezelfde kilometers en het is voor iedereen even warm in deze onwezenlijk hete Noorse zomer.

Twee uur stappen heen, twee uur stappen terug. Sommigen hijgen, gezichten lopen rood aan. Maar iedereen gaat koppig door, voetje voor voetje, want iedereen wil hetzelfde. De rots. Preikestolen. De preekstoel. In de kerk de plek waar donderpreken over gelovige zieltjes uitgespuwd worden. Op een boot de roestvrijstalen constructie op de boeg, voor de bemanning bescherming tegen brekende golven, een houvast.

Maar op die postkaart-rots hier in Noorwegen, is geen houvast. Uitdagend leunt het 25 bij 25 meter granieten plateau over de diepblauwe Lysefjord, geen hekje of relingetje te bekennen. Het water beneden even diep als de rots hoog is, 600m. De zon zindert.

Hier, op het uithangbord van Noorwegen, eten en drinken de mensen als was het de McDonalds, staan in de rij voor de foto van hun leven, struikelen over rugzakjes, wandelstokken en statieven. Het is uitkijken voor selfie sticks en drones, iemand gaat warempel op de rand van de afgrond op haar hoofd staan, er wordt driftig geklikt op mobieltjes….

Maar mijn schipper, die is stil.

Hoogtevrees speelt hem parten. Trotseert hij met gemak de ruwste zeeën, zijn benen worden als rubber in de buurt van kliffen, rotsen, afgronden. Ondraaglijk vindt hij het dat ik er net van hou om toch maar even over de rand te kijken. Ik vind het wauw!

Om hier te komen zeilden we gisteren 15 mijl van het lieflijke eiland Sauøya naar Jørpeland. Een bescheiden jachthaven bij een ietwat saai en slaperig stadje. Maar Jørpeland heeft een bank en een postkantoor, een paar winkels en supermarkten, je kan er diesel tanken en de bus naar de Preikestolen stopt er op vijf minuten lopen van de haven.

Hoe praktisch dit alles ook mag zijn, na de drukte van ons toeristisch dagje verlangen we vooral naar de stille leegte van een baai. Terwijl Las diesel tankt, haal ik snel groenten, fruit, vis en vlees voor enkele dagen en in de late namiddag varen we de Høgsfjord over, 7 mijl naar Tingholmen, een kruimel van een eilandje.

Afgemeerd tegen een steile rotswand waar de warmte van de dag nog af straalt, genieten we van de stilte, een lekkere spaghetti en de laatste avondzon. De Preikestolen zit in onze kuiten, de wijn in ons hoofd, we hoeven niet gewiegd te worden…

Dinsdag 17 juli 2018

Tingholmen. Je moet het eens hardop zeggen. Het klinkt fris als een belletje of een klokje. Net zo fris als wij na een verkwikkende nachtrust op deze muisstille plek. Na een kleine wandeling op ‘ons’ eiland, vertrekken we naar de beroemde Lysefjord. We willen de Preikestolen nog wel eens zien, maar nu van de onderkant…

De Noren gereserveerd, zeg je?

“Weet je wat er zo speciaal is aan de Noorse windmeters? Ze wijzen altijd met hun pijl naar waar de wind vandaan komt!” Arve en Cecilia lachen hartelijk. We hebben het hier al ondervonden, tussen de eilanden draait de wind verrassend en ja, hij lijkt steeds weer tegen te zitten…

14 – 15 juli 2018

Sauøya

Zachtjes varen we de baai binnen. En we zien het meteen, dit plekje is een paradijs. Spiegelglad turkoois water, een kleine kom. Er ligt een zeilboot voor anker. Het stel op de boot zwaait naar ons. Geen klein wuifhandje of een snelle strakke ‘hoi’, maar een brede trage zwaai, heen en weer in een duidelijke boog. Ik hou van dit gebaar, die typische bootmensen-zwaai…

Twee vaargidsen hebben we aan boord, de Vaarwijzer Scandinavië en de Oostzee van René Vleut en de Imray Pilot Norway van Judy Lomax. Het boek van René Vleut bevat een schat aan informatie maar omvat zo’n uitgestrekt gebied dat er niet echt in detail kan worden gegaan. Dat doet de Imray Pilot dan weer wel. Maar 25.000 km kustlijn krijg je niet zomaar in een boek gepropt, dat is duidelijk. Verder hebben we nog twee heerlijk gedetailleerde atlassen van de uitgeverij NV Verlag, NO 5 en NO 6.

Het plekje dat we voor vandaag uitgekozen hebben, een baai op het eiland Finnøy, bevalt ons niet echt, er staan te veel huizen, er is een zeilclub, het is er te druk. We varen door naar het piepkleine Sauøya…

Daarvoor moeten we om het eiland Bokn heen en of je daarvoor noord of zuid kiest, maakt niet uit, het is ongeveer even ver. In de hoop de wind eens niét tegen te hebben, kiezen we voor de zuidkant… Maar wat ik niet gezien heb op de kaart is dat er op deze vaarroute een kabel van 22m tussen twee eilanden hangt. Help, onze mast! Zijn we nu 20, 21 of 22m doorvaarthoogte? Veel tijd om ons hierover druk te maken, is er niet. We schuiven sneller dan ik wil dichter en dichter naar de kabel toe, die voor mij slechts halverwege onze mast reikt. Ik weet wel dat dit gezichtsbedrog is maar tot de laatste seconde ziet het er griezelig te laag uit. Ik verbaas me er over hoe rustig Las blijft wanneer we er probleemloos onderdoor gaan. “De kaarten nemen een goeie marge, en het is laag water…” Even later liggen we voor anker in een filmdecor.

De Noren op de zeilboot een eindje verderop blijven uitnodigend kijken en lachen naar ons. Als Las er met de bijboot naar toe roeit en ze voor een drankje en een babbel aan boord uitnodigt, zijn ze “ja, takk” meteen akkoord.

We maken kennis met Cecilia en Arve, een hartelijk koppel uit Tananger. Oprecht openhartig bekennen ze zopas onze vlag gegoogeld te hebben, want waren even in twijfel of het nu een Duitse vlag was of niet. Ze hebben bewondering voor het feit dat wij hier aan de westkust komen zeilen, volgens hen wil iedereen naar het meer mondaine zuidoosten van Noorwegen. Maar zij zijn fier op hun iets minder toeristische vaargebied. Met de kaarten er bij duiden ze nog een paar mooie plekjes aan en geven ons het advies om naar Jørpeland te varen in plaats van naar Tau als we naar de Preikestolen willen. Waar ze, voegen ze er fijntjes aan toe, zelf nog nooit geweest zijn wegens te toeristisch… Hún favoriete zeilgebied is de Hardangerfjord. Dat is die van op ons ooit-nog-to-do-lijstje.

Arve is wég van onze real sea-going boat zoals hij onze Breehorn noemt. ‘Een boot om mee naar het Noorden te varen,’ zegt hij dromerig, ‘de Lofoten…, en verder.’ Nog meer op ons ooit-nog-to-do-lijstje dus.

We kletsen en lachen de zomerse avond weg met kleurrijke zeilverhalen. De volgende ochtend blijven we nog tot een stuk in de namiddag in dit mooie plekje vooraleer we ons anker lichten en doorvaren naar Jørpeland en de Preikestolen..

Kvitsøy, Kløsterøy, Møsterøy, Fjøløy… Het is hier zo stil dat we bijna beginnen fluisteren.

Weet je wanneer geschiedenis leuk is? Als het een beetje klinkt als een sprookje. Zoals in: er was eens een man die van een door twisten en plunderingen versnipperd land een eengemaakt en vredig koninkrijk wilde maken. Hij wilde dit zo hard dat hij zwoer zijn haar niet meer te laten knippen tot dat lukte. Tien jaar duurde het… En zo kwam de eerste koning van Noorwegen in de geschiedenisboeken als Harald Hårfagre, Harald Schoonhaar.

Donderdag 12 juli 2018

We zijn nu wel het hele eind naar Noorwegen gevaren, een strak plan voor de verdere vakantie hebben we nog niet. Een reisplan op voorhand uitstippelen had ik niet echt gedurfd, eerst zien of we zo ver kwamen… Onze aanloophaven Skudenes ligt op het eiland Karmøy. Van hieruit kan je via de Karmsundet naar de grote Hardangerfjord en Bergen in het noorden, het Ryfylke-fjordengebied met Stavanger en de Lysefjord liggen in het zuiden. Verder noordwaarts varen betekent dat je ook alles nog eens terug moet. En als we op de kaart van het zuidelijk deel inzoomen, zien we pas hoeveel eilanden en eilandjes er liggen. Hier valt echt wel wat te ontdekken. We besluiten Bergen en de Hardangerfjord op ons ooit-nog-to-do-lijstje te zetten en zetten koers naar Kvitsøyane, de eerste archipel zo’n 7 mijl ten zuiden van Karmøy. Die bestaat uit 167 eilandjes bij hoogwater, daar komen nog eens 198 rotsjes bij bij laag water… In deze puzzel zijn veel doorvaarten mogelijk naar het schattige vissersdorpje Ydstabøhavn, maar we houden ons wijselijk aan het beboeide kanaaltje.

Aan de houten kade waar we afmeren -water, elektriciteit, toilet, wasmachine- liggen slechts twee boten, een Noor en een Zweed. Als onze motor uit gaat, is het hier zo stil dat we bijna beginnen fluisteren. In de middagzon staan de houten huisjes spierwit te wezen. Een zomerse lunch, een fietstochtje naar de vuurtoren en ‘s avonds barbecueën op het ponton, plaatjes voor een vakantiebrochure.

Vrijdag 13 juli 2018

Van Kvitsøy naar Klosterøy – Møsterøy – Fjøløy

Een mijl of 8 naar het oosten ligt een groepje van drie eilandjes waarvan het belang tot wel 12 eeuwen teruggaat. In die tijd rommelde het in Noorwegen door eindeloze gevechten tussen strijdende en plunderende rivalen. Zelfs de Vikingen hielden het er voor bekeken en trokken weg, naar Orkney, de Shetlands, de Faroer eilanden en Ijsland.

En toen won de Harald waar ik het zonet over had, in 872 met zijn inmiddels tien jaar lange haren de Slag bij Hafrsfjord. Als eerste koning van het eengemaakte Noorwegen vestigde hij zich met zijn koninklijke hof in Utstein op het strategisch gelegen eiland Kløsterøy. Later verhuisde het hof naar Bergen en werd Utstein een klooster. Het enige nog overgebleven middeleeuwse klooster in Noorwegen. Nog later, in de 18de eeuw werd het de ambstwoning van de gouverneur van het Ryfylkegebied, Christopher Garmann en zijn eerbiedwaardige familie. Volgens onze toeristische gids een bezoek waard.

En zo varen we daar met een flink windje, sportief als op open zee, naar toe. De eerste baai die we uitkiezen om te overnachten ligt naar onze mening te onbeschut voor de strakke noordwester en we varen om de eilandjes Fjøløy en Klosterøy heen tot in een baai met de mooie naam Finnasandbukta. De baai met het fijne zand. We mogen er afmeren aan de houten kade van een hotel. Gratis. Hotel en baai hebben iets desolaats en doen denken aan Schotland.

Zaterdag 14 juli 2018

Ook het weer doet denken aan Schotland vandaag. Het is grijs en kil als we opstaan, we zetten zelfs even de verwarming bij en kleden ons warm als we met de fietsjes op pad gaan naar Utstein. De aanbeveling van onze reisgids ten spijt ligt het klooster er even verlaten bij als het hotel waar we afgemeerd zijn. Welgeteld vier bezoekers willen een toegangskaartje. Van Harald Schoonhaar geen spoor, van de monniken is ook niet veel overgebleven en schoonheidswedstrijden zullen de dames Garmann zeker nooit gewonnnen hebben.

We verlangen naar zilt en zuurstof en als de zon doorbreekt, fietsen we gezwind naar Fjøløy Fyr, de vuurtoren van het eiland Fjøløy.

Als toeristische attractie verslaat voor ons het uitzicht daar met voorsprong het klooster.

De fjorden lonken, we willen verder. Enkele uren later zeilen we alweer door de Mastrafjord…

Skudenes, Noorwegen. Je weet pas hoe ver het was als je er bent…

Woensdag 11 juli 2018

Pas bij het aanleggen voelen we hoe moe we toch wel zijn. Twijfel bij het afmeren, is het hier diep genoeg langs die kade? De havenkom, houten kades midden in het centrum van een slaperig withouten stadje, ligt goed vol. Hoofdzakelijk dikke motorjachten. Op de vrije plaatsen hangen kaartjes met Forbudt of Privat. We cirkelen wat twijfelend rond tot een hartelijke man in een motorbootje ons een plek naast een grote witte boot aanwijst. “Ga daar maar liggen, ik vertrek de eerste dagen toch niet!”

Skudenes. Hier liggen we. Te sudderen in de Noorse middagzon. Het eerste biertje gedronken, het onvermijdelijke klopje van de hamer geïncasseerd en het broodnodige tukje gedaan. We zijn er. Bij een stevige kop koffie overlopen we nog eens de voorbije tocht. 500 mijl blijken er 590 geworden te zijn. De vier verwachte nachten op zee werden er vijf. We halen de schouders op, wat maakt het uit. We zijn er.

Hoe zit dat nu, in één keer naar Noorwegen zeilen?

Wel… Je trekt op de Navionics kaart op de Ipad een rechte lijn van Nieuwpoort naar Skudenes. Je leest 500 mijl af. Dat vergeet je onmiddellijk. Het betekent niets. Je weet pas hoe ver het was als je er bent…

Wij zijn, afgaand op de weerberichten, in een rechte lijn naar het noordnoordwesten vertrokken. Een heel eind zouden we langs de Engels kust blijven varen om dan ergens halverwege noordoostwaarts af te buigen. Maar de wind besliste er anders over en dwong ons al eerder naar het midden van de Noordzee…

Navigeren doen wij vooral met Ipad en plotter. Maar je weet nooit, dus blijven we ook vasthouden aan papier. Een recente ouderwetse papieren kaart, een ‘overzeiler’ vond ik geen overbodige luxe. Op een langere tocht blijf ik daar op regelmatige tijdstippen onze positie in tekenen. Als we na 36 uur varen 180 mijl ver zijn, varen we de gloednieuwe kaart in. Bij het aanduiden van onze positie zie ik tot mijn verrassing dat daar met stippellijntjes een volledig nieuw windmolenpark uitgetekend staat, het Hornsea Offshore Windfarm under construction… Noch op de plotter, noch op de Navionics kaart op de Ipad, nochtans recent ge-update, staat dit aangeduid.

Het gebied strekt zich uit over een oppervlakte van 20 mijl bij 10 mijl. Omdat we zowat recht op het midden er van komen aanvaren en er niet veel meer te zien is dan wat boeien, roepen we het Survey Vessel op dat er ‘de wacht houdt’. Of we er misschien doorheen mogen varen? Het antwoord is formeel, buiten het gebied moeten we blijven. Dat wordt dik 10 mijl om varen…

En dan het zogezegde weather window waar zeilers het zo graag over hebben. Als de weerberichten je zo’n weervenster voorhouden, kan je gaan. Maar hou er altijd rekening mee dat iemand soms ineens het raam dichtklapt… In ons geval gaf dat een kleine oranje vlek op het Windyty windkaartje die uitgroeide tot een fikse brok zwaar weer.

We deelden in de klappen maar ook dat waait over en met bijna windstil weer zijn we ten slotte hier in het stille Skudenes binnengezeild. Met een biertje, een tukje en een koffie schudden we de 590 mijl van ons af als een natte hond zee en zand na een strandwandeling. Het zomert hier dat het een lieve lust is, we zetten onze eerste stapjes op vaste Noorse grond. Dit voelt goed!

Drie dagen om in te lijsten en dan, bám!

Woensdag 11 juli 2018

Het is 3:00 ‘s nachts en het is licht. De scheepsradio kraakt. Een vrouwenstem. Ze zegt iets waar ik geen woord van versta. Op Admirality Chart BA2182C North Sea, northern sheet zijn we net de lijn van 58° noorderbreedte gepasseerd, aan stuurboord de kustlijn van Rogaland, de zuidwestkust van Noorwegen…

Vijf dagen geleden, op vrijdag 6 juli, zijn we vertrokken uit Nieuwpoort. Bladstil is het, de zee deint traag als olie, onze Yanmar bromt. Mijn schipper ook: ‘Zo gaan we nooit in Noorwegen geraken als je ‘t mij vraagt…’ Maar tegen de avond komt er een vleugje wind en kunnen we zeilen. Niet echt snel, maar wel heerlijk comfortabel.

De eerste uren, of misschien wel de hele eerste dag van een meerdaagse zeilreis zijn altijd wennen. Niet zozeer de zee, we hebben allebei zeebenen, maar vooral de zo andere tijdsbeleving. Je hoofd zit nog vol. Vol met stress van het werk dat je net hebt afgerond, vol met lijstjes –hebben we alles mee-, vol met vanalles. Maar naarmate de uren verstrijken, ebt dat weg. Ik heb boeken mee, leesboeken en reisgidsen, ik wil schrijven, ik wil koken, maar ik doe niets en vind dat fijn.

Op dag twee –we hebben een heerlijk rustige nacht gehad- kunnen we de kleurige halfwinder zetten en pas negen uur later moet het zeil naar beneden. Nog maar eens zeildag om door een ringetje te halen.

Dag drie komt als vanzelf met meer ideaal zeilweer. Stralende zon, wind. Passeerden we een dag geleden nog tal van gas- en olieplatformen met bijbehorende survey vessels, vandaag zien we niets. Er zijn alleen de diepblauwe zee, de helblauwe hemel en wij.

Heel geniepig komt er beetje bij beetje wat west in de noordenwind waardoor we met zachte dwang oostwaarts worden gedrukt. We halen de zeilen aan, varen scherp en maken ons geen zorgen. We hebben van bij het begin genoeg marge voorzien om ten westen van Noorwegen te blijven. Zo ver mogelijk noordwaarts varen en dan afbuigen naar de kust is het plan. We lezen en bruinen.

Dag vier -we naderen de plek in de Noordzee waar vijf landen samen komen, Nederland, Duitsland, Denemarken, Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk- kondigt zich aan met een vreemde paarse kleur.

De wind trekt aan. We reven. Grootzeil en genua. De wind trekt verder aan. Vijf beaufort wordt zes beaufort. We verwisselen de genua voor de kotterfok. De wind trekt nog meer aan. Windkracht zes wordt zeven.

We reven het grootzeil nog meer. De zee bouwt op tot een indrukwekkend berglandschap. Het wordt steeds ruiger, we zetten ons schrap.

In de vaarwijzer voor Scandinavië van René Vleut staat een quote: ‘Er zijn maar drie soorten wind: er is geen wind; er is wind; en er is: O, lieve heer, laat het asjeblieft ophouden.’ Dat laatste is wat door mijn hoofd gaat als windkracht zeven acht wordt…

De zee is nu gigantisch. Omdat we geen idee hebben hoe lang dit gaat duren, besluiten we even ‘adem te nemen’ en te gaan bijliggen. We halen het kotterzeil bak, laten de grootschoot volledig vieren en zetten het stuurwiel vast. De boot komt vlak te liggen, loeft op en valt weer af. In dit moment van tijdelijke ‘rust’ maak ik een snel éénpansgerecht. Eten moeten we blijven doen, slapen ook. We halen de zeilen weer aan, gaan zo scherp mogelijk varen en besluiten elk afwisselend een uur te sturen en een uur te rusten. De zee heeft nu ook brekers voor ons in petto. Een bepaald moment slaat een dwarse breker ons zodanig uit de koers dat de boot ongewild overstag gaat. Terug op onze koers komen is een heksentoer.

Maar ook de lelijkste storm blijft niet duren en na 24 uur gaat de wind weer liggen, op dag vijf worden we getroost met een prachtige zonsopgang.

We ruimen de kajuit op, ontbijten royaal, drogen kleren, mutsen, handschoenen en halen om beurten slaap in.

Het resultaat van de storm is dat we niet alleen weinig gevorderd zijn maar vooral niet in de goeie richting. We zijn een heel eind oostwaarts verzet tot voor de zuidkust van Noorwegen. En ik denk opnieuw aan een zinnetje uit de Vaarwijzer voor Scandinavië van René Vleut: ‘Hoe kom je van deze zuidkust naar de westkust van Noorwegen?’ Het antwoord is duidelijk: ‘Lang niet altijd.’

Want zoals meestal staat hier noordwesten wind, helemaal tegen dus. Maar die is intussen zo zwak geworden dat we de motor bijgezet hebben en traag motorzeilend opkruisen. Nog 40 mijl te gaan tot Skudenes, komt goed…

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren

BewarenBewaren