Felle, Bretoense meiden. Île-de-Batz, Roscoff.

Île-de-Batz, ergens in de herfst van 1805.

Bleke mist hangt boven het eiland, het is vroeg in de ochtend.  Enkele Britse schepen naderen traag maar zeker het strand. Iedereen weet het. Weerloos zijn de vrouwen op Île-de-Batz wanneer hun mannen voor wéken of gaan vissen of ten oorlog zijn.

En dan priemt plots, zoals wel vaker op een herfstige dag, de zon door de ochtendmist. De zeelui schrikken zich een hoedje. In het verblindende tegenlicht ontwaren ze, op regelmatige afstand van elkaar, silhouetten van soldaten, bajonet in de aanslag. Daar hadden ze niet op gerekend, ze wenden de stevens en zeilen weg.

Opgelucht halen de vrouwen adem. Hun plannetje is gelukt! Enkel met hun coiffes of Bretoense mutsen en hun barattes of botertonnen hebben ze de Engelse kapers verschalkt!

Waar of niet, ik vind het een leuker verhaal dan het andere, veel bekendere van St-Pol-Aurélien die een slang-achtige draak verslaat en het eiland Enez Vaz of Île-de-Batz redt. We zijn hier in het knusse museum van de 44m ofwel 198 treden hoge vuurtoren op Île-de-Batz… We zijn in Bretagne!

Op dit juweeltje van een eiland zijn we gekomen met de overzet vanuit Roscoff.

En in Roscoff, daar zijn we zeilend gekomen vanuit Fécamp. En het mag gezegd, dat is een eind, bijna 200 mijl….

fullsizeoutput_8235

Dat was niet meteen het plan. Of beter gezegd, bij zonsopgang, bij het buitenvaren van Fécamp was er niet eens een plan.

We gingen gewoon érgens naar toe, het was zelfs voor ons nog een verrassing waar dat was…

Begrijp me niet verkeerd. Het is niet omdat er geen plan was, dat er geen opties waren. We hadden naar Cherbourg kunnen gaan. Of om Cap de la Hague heen en dan een poging wagen om te gaan overnachten in Alderney. Ik zeg ‘poging’ omdat we vernomen hadden dat de Channel Islands de versoepeling van de corona-maatregelen voor de UK niet volgden en vakantie houdende pleziervaarders er geweerd werden. Er was ten slotte ook nog de optie om, als het niet zou lukken om de stroom mee te pakken rond de kaap, gedurende de tegenstroom te gaan ankeren in een kleine baai vóór de kaap.

Maar we gingen goed, zelfs erg goed en het zag er in de loop van de middag naar uit dat onze niet getimede timing wel eens kon meevallen.  En zo kwam het dat we ons met de stroom mee om Cap de la Hague heen in de Race van Alderney lieten spoelen. Daar is het dan niet meer met kiezen, je zit in een sneltrein van water en kan alleen maar vooruit.

Al gauw werd duidelijk dat ankeren of een boei pakken in Alderney niét tot de opties behoorde. Over de marifoon op CH20 hoorden we onafgebroken waarschuwen dat de Channel Islands, de eilanden van the Bailiwick, absoluut niet toegankelijk waren. Alderney, Sark, Herm, Guernsey, Jersey, op slot. We hoorden hoe zeiljachtjes die iets te dicht naderden, opgeroepen werden om te polsen naar hun bedoelingen.

En zo komt het dat we gewoon doorvaren, de heerlijk zoete zomernacht in. De wind zakt weg, maar niet getreurd, traag motorzeilend malen we mijl na mijl. Tot in Roscoff…

Hier rond flanerend als echte toeristen komen we wel meer felle Bretoense meiden tegen. Er is de drukdoende dame die ons een flinke Far Breton serveert, halfweg de middag op Île-de-Batz, de dame van leeftijd die met kleurrijke schilderijen exposeert in l’Abri du Canot de sauvetage in het centrum van Roscoff, en ten slotte de flamboyante Myriam van de oester-en zeevruchtenbar Le Surcouf die haar zelfgemaakte vruchtenrum als toetje op de dessertkaart zet…

Na zo’n glaasje lijkt een tocht van 200 mijl een eitje…

 

Na zeven maand wachten op de boot, kunnen we ook wel zes uur wachten op het getij…

Maandag 6 juli 2020

Aan Cap Gris Nez kun je maar beter de stroom mee hebben. Nergens stroomt water zo hard als rond een kaap. Plannen om daar op het juiste moment te zijn is dus aangewezen, maar lang niet altijd zo eenvoudig. Maar laat me beginnen bij het begin.

Vorig jaar in het tweede weekend van november zeilden we onze boot naar de Breehorn werf in Woudsend, Friesland. Een lijst aanpassingen staan er op het programma. Een vuilwatertank, zonnepanelen op de vaste buiskap, een windgenerator, automatische windsturing, davits, herstelling windmeter, nieuw kompas en nog wat dingen… Halfweg de winter, ergens in februari, combineren we de winterontmoeting van de Breehornzeilers met een bezoek aan de werf. Niets laat op dat moment vermoeden dat we niet zoals gepland met het Paasweekend terug zullen zeilen naar onze thuishaven in Nieuwpoort, maar pas zeven maand later… Het Covid-19 virus beheerst het hele voorjaar. Eerst mag er helemaal niet gevaren worden, daarna mag het weer wél, maar blijven de grenzen nog gesloten. En blijft onze boot als het ware in Nederland gegijzeld. Pas in het derde weekend van juni kunnen we eindelijk terugkeren.

In november was de tocht van Nieuwpoort naar Friesland, zowat 180 mijl, een stevige maar mooie afsluiter van het zeilseizoen geweest. Met vriend Geert Verdonck als extra bemanningslid was het best haalbaar, ondanks de korte dagen en het frisse herfstweer. We hadden de zee nog in de benen, we sloten het zeilseizoen waardig af.

Zeven maand later is de terugkeer naar onze thuishaven onze eerste zeiltocht van 2020. De lente ligt al achter ons, dit weekend begint de zomer. Nog absoluut geen zee in de benen, maar met Tobias Verdonck, zoon ván, als extra bemanningslid is het best te doen. Wat een paar extra zeilhanden toch kunnen doen, mits ervaren zoals deze van de familie Verdonck. We vliegen het nieuwe zeilseizoen in met een tocht van ruim 36 uur.

Heel erg blij als we Nieuwpoort terug kunnen binnenlopen.

Voor 2020 hadden we een zeilvakantie van twee maand naar de westkust van Schotland gepland. Maar zoals zovelen moeten we dit bijstellen. Schotland houdt zijn grenzen nog dicht voor buitenlandse zeilers. We schuiven het plan door naar volgend jaar en houden het dit jaar bij drie weken vakantie, naar Frankrijk.

Maar ook dat blijkt niet zonder hindernissen. De wind zit tegen. En niet zo’n beetje.

Hopend op het sprankeltje noorderwind dat voorspeld was, vertrekken we toch maar.

Het eerste rak dat we zeilen brengt ons dichter naar Oostende dan naar Duinkerke, we kibbelen over de zeilvoering, winchen ons te pletter, kortom, een weinig bemoedigend begin. Moeizaam kruisen we ons eigenste stukje kust voorbij, trekken zigzaglijnen die ons maar langzaam vooruit helpen.

Zo langzaam dat het er al gauw naar uit ziet dat we de meegaande stroom aan Cap Gris Nez niet gaan halen. En dan is het opties overlopen. Ofwel gaan we door, wetende dat het een lange oncomfortabele nacht gaat worden, ofwel lopen we Duinkerke binnen, of Calais. We gaan met z’n tweeën unaniem voor de laatste optie.

Het is donker als we Calais binnenlopen, een inkomende ferry achterna, om vervolgens de rode lichten naar de arrière port te negeren, dit alles op vriendelijke instructie van Calais Port.

Nadat we een boei hebben opgepikt en alles vast en opgeborgen ligt, klinken we bij een gedeeld biertje op het begin van onze vakantie en gaan onder zeil.

Als we zeven maand hebben moeten wachten op onze boot kunnen we ook wel zes uur wachten op het getij. Graag zelfs!