Een meeuw aan boord. Grenå en het eiland Samsø.

Grenå

Traag roeit een man over de rivier. Langs het riet roeit de man. Van de rivier gaat het naar de zee en van de zee naar de haven. Een beetje zoals in Melopee van Paul van Ostaijen, maar dan anders. In de boot zit ook een vrouw, naast haar ligt een groot pak. De man roeit de haven in.

De man, dat is mijn schipper. Had hij de benzine van het motortje tijdig bijgevuld, dan was hij nu niet aan het roeien geweest. De vrouw, dat ben ik. En in het pak zit een houten meeuw.

De zeiltocht van 28 mijl van het eilandje Anholt naar Grenå, eerder die dag, was bijzonder omdat ze dwars door het uitgestrekte Anholt offshore wind farm was gegaan. En varen tussen windmolens, 111 in dit geval, in Denemarken mag dat.

In de haven van Grenå valt niet zo heel veel te beleven en dus trekken we er met de bijboot op uit. Het tochtje naar het oude centrum van Grenå, drie kilometer landinwaarts, begint idyllisch, langs rietkragen en onder lage bruggetjes door. Maar ook op een zwoele zomerse namiddag kun je dus zonder benzine vallen. En zo roeien we om beurten geduldig verder naar het stille stadje. In een verrassend knappe interieurzaak vergeten we even de terugtocht die ons te wachten staat en laten ons eensgezind verleiden tot de aankoop van een houten meeuw. We noemen hem Kay, naar zijn Deense ontwerper Kay Bojesen.

Aan de meeuw zit een veer. Maak je die vast aan het plafond dan danst de meeuw zachtjes op en neer. Wat gek, als ik hem vanuit een bepaalde hoek gadesla, zou ik zweren dat hij monkelend lacht…

Samsø

Ik ben jarig. Ik ben jarig en het miezert. Ik ben jarig, het miezert en we willen het eiland Samsø verkennen. Ik ben jarig, het miezert, we willen het eiland Samsø verkennen en mijn plooifiets heeft een platte band…

Gisteren zeilden we van Grenå naar het eiland Samsø. De tocht van 32 mijl was rustig begonnen, tot de beschutting van de kust wegviel, en wind en golven vrij spel kregen in het gebied waar de Grote Belt, de Kleine Belt en het Kattegat elkaar ontmoeten. Het werd pittig zeilen en na nog een woelige aanloop tussen zanderige ondiepten, ankerden we in de baai van Langør…

Als ik in Google Maps een fietshersteller zoek blijkt die op amper 200 m te zitten van waar we staan… Tegen sluitingstijd kan mijn fietsje hersteld zijn. Niet veel later rijd ik gezwind verder op de comfortabele huurfiets die ik voor de rest van de dag gratis mag gebruiken…

Het klaart op en na een lunch in het pittoreske Kirkeby fietsen we verder tot Issedhoved, dat op 15 km van de haven van Langør ligt. Het landschap op deze noordelijke top van het eiland is apart in zijn eenvoud. Bolle hellingen met kort droog gras, heideachtige planten en zoute bloemen in zachte kleuren. Beneden het strand.

Het aarzelende licht dat deels achter de wolken blijft haperen bedrijft poëzie met de kleuren van het moerassige gebied op de terugweg naar Langør. Traag fietsen we tussen een weelde van zachte grijzen, contrasterende groenen en witte spikkels van frêle bloempjes. Tegen de monotone lucht tekenen planten zich sierlijk af als kunstig kantwerk…

Ik ben nog steeds jarig, het regent al lang niet meer, de band van mijn fiets is hersteld en rondom mij gaan op alle boten van de ankerplaats de lichtjes branden. Ik knipoog naar Kay…

De zomer is weer helemaal terug als we de volgende dag 10 mijl zuidwaarts motoren naar Ballen, waar we, op ruime afstand van de volle jachthaven, ankeren voor het strand.

En hier krijgt mijn verjaardag een lekker staartje. Na een fietstocht tot Vesborg Fyr, de vuurtoren op de zuidpunt van Samsø, sluiten we de dag af met een heerlijke zeevruchtenschotel bij Værftet.

Kay, die gisterochtend nog instemmend knikte bij het zien van mijn verjaardagsontbijt, schudt nu streng het kopje als ik hem de belachelijke prijs van de nochtans eenvoudige fles wijn opbiecht. Ook dat is Denemarken…

Storm op Anholt

De haardroger gaat hoog in toeren en maakt daarbij een angstaanjagend geluid. Met een verbeten blik gaat de vrouw die bij het haar hoort haar kapsel te lijf. Het is een strijd op leven en dood. Dat haar lange blonde haren na jaren kleuren, te veel zon en te weinig knipbeurten al lang dood zijn maakt het er niet gemakkelijker op. Noch het product dat ze driftig door haar lokken kneedt, noch de loeiende haardroger zullen haar kapsel tot leven wekken. Maar ze geeft niet op.

Aan de andere wastafel staan twee jonge meisjes, poppenbeentjes, poppenlijfjes, poppengezichtjes. Maar ze zijn niet tevreden en druk in de weer met wattenstaafjes en oogschaduw in allerlei tinten blauw. Ondanks alle mogelijke filters stelt Instagram hoge eisen. Geconcentreerd keuren ze zichzelf en elkaar en kleuren verder.

Het stormt in Anholt en ik kom douchen in het Sailor House van de marina. Het systeem is simpel. Kleed je uit, houd je havnkart voor het automaatje van een douchehokje en achter een plastic gordijn krijg je drie minuten warm water. Drie minuten, hoeveel is dat eigenlijk, denk ik zenuwachtig en was snel snel mijn haar en lijf. Het is heerlijk lang. Ik droog me af, kleed me aan en doe dagcrème op, klaar. De haardroger brult nog steeds. De meisjes zijn weg, op de wastafel liggen blauwe wattenstaafjes en proppen papier met bruine foundation. Het vuilbakje hebben ze niet zien staan.

16 – 18 juli 2021

Ik verbaas me over het contrast tussen het leven-zoals-het-is in deze propvolle jachthaven en de rest van het piepkleine eiland. Een parel van amper 22 km2, een berg, een ‘woestijn’ en strandjes, zo stil en puur dat je er in je blootje kan gaan zwemmen…

Hoe ze de boten hier in de haven bij elkaar proppen, dat zag ik nog nergens. Eén rij boten ligt aan een ponton, achteraan vastgemaakt aan een hekboei en neus op de kant. Daar worden andere boten tussen geschoven. In een enkel geval komt er nog een boot op een soort van derde rij die alles afsluit met de overkant. En met de aangekondigde storm hebben de havenmeesters om de zoveel boten lange lijnen gelegd om het boeltje bij elkaar te houden. We liggen gevangen. Mensen lopen af en aan als colonnes druk wriemelende mieren…

Buiten klinkt de wind nu ook als een overspannen haardroger. Vandaag zitten we de storm uit. Lang ontbijten, laat douchen, boot opruimen, wat schrijven, een wandeling. Bruut en ongenaakbaar is de zee die de voorbije dagen lieflijk en kalm was.

Want de tocht hierheen was er eentje om door een ringetje te halen. Halve wind, een goeie 4 bft, zon en een diepblauwe zee rondom ons. Zowel de kust van Zweden als die van Denemarken te veraf om te zien. En dan verschijnt voor mijn verrekijker de bos masten op Anholt… Mikado voor gevorderden, reageert Marian van Roy op mijn Facebook post en dat zegt alles.

Toch varen we binnen want we willen niet alleen het eiland zien maar ook veilig liggen voor de passage van de aangekondigde storm. Maar voor die over het eiland walst, hebben we nog een heerlijke dag om dit paradijsje te ontdekken en dat doen we weer maar eens met onze fietsjes…

Anholt in een notendop, dat is een berg, een woestijn en stranden.

De berg, het bergje, heet Nordbjerg. We parkeren onze fietsjes aan de voet er van en gaan op pad. Eens boven, keren we terug via een steile helling en een ongerept keienstrand.

Het strand ligt bezaaid met kunstige zeewieren in wonderlijke tinten van bruin. Zoveel mooier dan de foundation van de popjes in de haven denk ik dan. Een zeehond verrast ons, we hadden hem amper opgemerkt.

Blauwen waar geen oogschaduw aan kan tippen liggen aan onze voeten.

De woestijn wordt Ørkenen genoemd, beslaat een groot deel van het eiland en is beschermd natuurgebied. Het droge landschap met zijn korstmossen en heide-achtige plantjes is uniek. Wandelen mag er, fietsen niet.

Op de stranden mag je wel fietsen… En die stranden, die zijn er gewoon overal. Spierwit poederig zand dat langzaam afloopt in de turquoise uitnodigende zee. Vaak geen levende ziel te bekennen.

‘Die heeft geen haardroger nodig’, denk ik glimlachend als ik mijn schipper blij als een kind zie krawietelen in de branding…

En we zijn dwars door de kop van Denemarken gevaren!

13 en 14 juli 2021

Atlas. Zo heet de blonde peuter die vanuit de kuip van het klassieke jacht Nordlys uit Ålborg, het aanlegmanoeuvre van zijn opa, oma en papa gadeslaat. De oma van Atlas is een opvallende verschijning, zelfbewust in een lange jurk met bijzondere print, hippe sneakers en bril. Wat ze draagt zijn beslist designerdingen. En als ze dat niet zijn, dan heeft ze het talent ze zo te doen lijken. Er is iets met de opa. Hij beweegt moeilijk, lijkt een arm te hebben die niet mee wil. En toch manoeuvreert hij met de ellenlange helmstok het oogverblindende schip op haar plaats. Dit is langszij bij ons. De oma en de papa van Atlas zijn in de weer met stootwillen en lijnen, alles in volstrekte harmonie. Toewijding is het woord dat me te binnen schiet. En liefde.

We zijn in Hals, aan het eind van de Limfjord. En liggen langs een kade waar je eigenlijk niet mag afmeren. Maar uitzonderlijk weer wel wegens geen plaats in de tjokvolle jachthaven. We fietsen een klein verkenningsrondje. Hals kookt over, het is broeierig warm en er is veel volk op de been. We zijn blij om terug te keren naar de rust aan onze kade. Met naast ons nu de Nordlys.

Maar eerst nog wat over de Limfjord waar we nu helemaal doorheen gevaren zijn. Er mag dan wel amper getijverschil zijn, de ondieptes zijn er niet te onderschatten. Bij motorzeilend kruisen tussen Lemvig en Harre Vig gaat dat even fout en lopen we, boem pats, vast. Op een plek waar het volgens de kaart 8 à 10 meter diep is… We halen grootzeil weg, zetten motor in achteruit, trekken fok bak en even later varen we weer, oef!

De met rood en groene tonnetjes of stangen aangegeven vaargeulen moet je heel nauwgezet volgen, kijk maar naar het kleurverschil binnen en buiten het vaarwater! Ook de aanloop naar het aangename plekje Nibe waar we twee nachtjes blijven is spannend. Het is een heel smal geultje waar je beter niet naast de paaltjes gaat varen!

Er is iets met de betonning in de Limfjord. De vaarrichting van op zee, op zeekaarten aangeduid met een magentakleurige pijl, loopt op identieke wijze over in de fjord. Groene tonnen aan stuurboord en rode aan bakboord. Niets aan de hand, toch? Maar als je aan de overkant vanuit het Kattegat de fjord in vaart, loopt ook daar de betonning van op zee identiek over in de fjord. En moeten ergens onderweg, Ålborg in dit geval, de kleuren wisselen van kant. Voor wie, zoals wij, van west naar oost vaart, is het vanaf daar dus groene tonnen aan bakboord en rode aan stuurboord… Opletten, zeker wanneer er zoals op sommige plaatsen, slechts één ton ligt!

We hebben hier nog iets bijgeleerd en dat is het gebruik van de N-van-November-vlag, die lijkt op een blauwwit geblokte keukenhanddoek. Je hijst ze om aan te geven dat je een brug wil passeren. We laten ze niet de hele tijd staan zoals sommigen gemakshalve doen maar hijsen ze telkens bij aankomst bij elk van de 5 bruggen onderweg. Het werkt vlot.

Nu we het over vlaggen hebben. Groot is mijn ontgoocheling wanneer ik bij aankomst onze Deense beleefdheidsvlag niet kan vinden. Achtergebleven op onze vorige boot die we nog hadden in 2014 toen we ook naar Denemarken zeilden, uitgeleend misschien? In Thyborøn vinden we niet meteen een ship chandler maar met Denemarken in de halve finale van het EK zijn wel overal Deense vlaggetjes op stokjes te koop. Voor 30 DKK, zo’n 4,00 €, halen we er eentje, knippen het stokje eraf en hijsen het aan stuurboord in het want… Makkelijk kan ook!

Terug naar Hals. Mit skib er ladet med længsel staat op een van de fantastische sculpturen langs de oever. My ship is loaded with longing. Mijn schip heeft goesting zeg maar. Maar waar hebben wij zin in, waar gaan wij heen?  ‘Læsø, dát moet je zien,’ zegt de papa van Atlas van de Nordlys. ‘Zo mooi…’ ‘Anholt,’ zegt de oma, ‘en ook Samsø, of Sejerø, mijn lievelingseilanden…’ Denen die met dromerige blik hun eigen land aanprijzen, geen reisbureau doet het beter. En we krijgen nog een gebruikte brochure van Læsø in onze handen gedrukt.

Læsø en Anholt, als we onze tocht in het Kattegat daar nu eens mee beginnen…

Saint-Quay-Portrieux, laatste stop in Bretagne

26 oktober 2020

Iemand op de radio zegt dat je een verhaal niet mag laten afkoelen, dat je het moet vertellen terwijl het nog warm is… En ik besef dat dit nu net is wat ik de afgelopen weken, maanden heb gedaan. Mijn verhalen laten afkoelen… Ze moeten intussen bijna beschimmeld zijn, zo veel tijd is er overheen gegaan. Is het de zwaarte van deze vreemde tijd, het verlammende van dat griezelige virus, het gebrek aan perspectief? Wachtend op ik weet niet wat zijn ze afgekoeld, bijna uitgedoofd. En wát als ik ze nu eens zachtjes weer nieuw leven inblaas, zoals je met een smeulend vuurtje doet? En je meeneem naar afgelopen zomer, naar Bretagne? Meer bepaald naar de plek en het moment waarop we niet alleen een schattig dametje maar ook een wel erg knappe man ontmoetten…

19 juli 2020

In een overvolle souvenirwinkel, het soort winkel waar mijn schipper een hekel aan heeft maar waar ik moeilijk aan kan weerstaan, komt ze me tegemoet. Met haar groene jurk, wit schortje en mutsje, rode paraplu, waait ze bijna van de stevige porseleinen beker waarop ze afgebeeld staat. Bretoense snuisterijen, Bretoense koekjes, Bretoense cider, Bretoense lepels, Bretoense koelkastmagneetjes, van alles veel en van veel nog meer. Ik neem de beker in mijn hand en denk aan geurige thee tijdens nachtelijke zeiltochten, dampende koffie bij het ochtendgloren…

We zijn in Saint-Quay-Portrieux, Bretagne. Aangekomen na een rustig zeiltochtje van amper 16 mijl vanuit het prachtige Île-de-Bréhat. Waar we behalve succesvol geankerd ook heel bekoorlijk gewandeld hebben. Als hopelijk in een niet zo verre toekomst Covid-19 iets van vroeger is geworden en je opnieuw vakantie plant, met of zonder boot, ga er dan eens heen, je zult het er prachtig vinden.

De marina van Saint-Quay-Portrieux zou ik kunnen omschrijven als een grote, perfect gerunde jachthaven met nette pontons en verzorgd sanitair.

Maar ik zal deze plek vooral onthouden als de jachthaven met het charmantste onthaal op deze vakantie tot dusver. Zonnebril noch mondmasker kunnen verhullen dat de jonge assistent-havenmeester die ons naar een ligplaats begeleidt een echte knapperd is. Disons qu’il est canon, quoi! Maar hij is niet alleen knap, hij is ook heel galant. We krijgen een ruim bemeten plek langszij een royaal ponton, waarvan deze Bretoense halfgod zelfs een klamp losschroeft en verplaatst zodat we optimaal kunnen afmeren. Aan de andere kant van deze steiger liggen een Grand Soleil 56 en een Pershing 65… We zijn onder de indruk. Hij overhandigt ons de codes voor het sanitair, een mapje met informatiefoldertjes en neemt ook nog eens uitgebreid de tijd om dat van de nodige uitleg te voorzien. Zijn charme naturelle -het moet van het frivole Ce n’est Rien van Julien Clerc geleden zijn dat ik nog zo’n sexy Frans hoorde-, doet zin krijgen in een dansje en maakt het niet eenvoudig om er de aandacht bij te houden.

Maar laat ons de kalmte bewaren en terugkeren naar Bécassine. Want zo heet dat Bretoense juffertje, dat in 1905 als eerste Franse vrouwelijke stripfiguurtje het levenslicht zag en hier in deze overvolle souvenirwinkel op een porseleinen beker prijkt. Sexy kun je haar niet noemen, eerder mignonne.

Het toeval wil dat onze boot, voor het onze boot was, B. Bommel heette. Vernoemd naar de Nederlandse stripfiguur Olivier B. Bommel. De eigenaar zal daar zijn motieven voor hebben, aangezien zijn huidig schip ook nu weer De Bommel heet. Er zijn er die voor minder een cirkel rond verklaren. Als bovendien nog blijkt dat het porselein met Bécassine niet in China maar hier in Bretagne wordt gemaakt, heb ik voldoende argumenten voor de aankoop van twee bekers. De frons van mijn schipper neem ik er bij, meningsverschillen als deze beschouw ik als verwaarloosbaar aan boord..

Want we doen ook nuttige inkopen. De terugtocht nadert en er moet proviand voorzien worden. Dat dit hier ook op zondag kan in een behoorlijk goed gesorteerde superette is een meevaller. Ten slotte sluiten we ons verblijf af met een prachtige wandeling langs de kust met zicht op de prachtige Baie de Saint-Brieuc.

’s Avonds buigen we ons over het weerbericht voor de komende dagen. Er wordt een stevige NNE voorspeld, precies waar we heen moeten. Ik kijk naar Bécassine en ineens doet ze me denken aan een oude mop die mijn moeder wel eens vertelde.

Een boerinnetje fietst met twee zware manden vol eieren naar de markt. Het is een heel eind, ze heeft de wind stevig op kop. Puffend en trappend bidt ze vurig tot Onze Lieve Heer, de hele weg lang. Of hij de wind toch maar kan laten draaien. In schuim en zweet komt ze aan op de markt. Ze verkoopt er de eitjes, koopt met de verdiende centen het nodige proviand en hijst enkele uren later de opnieuw zwaar geladen manden op haar fiets om de terugtocht aan te vatten. En zie, daar blijkt haar gebed verhoord! De wind is 180° gedraaid…

Misschien had ik dat schietgebedje niet mogen maken, twee weken geleden, in Dieppe, op onze heenreis, toen de wind aanhoudend tegenzat en ik heel wat over had voor wat wind uit het N, het E of iets er tussenin. Nu krijg ik waar ik om gevraagd heb… Maar onze grootste zorg is niet 90 mijl tegenwind varen tot bij voorbeeld Cherbourg maar wel de timing om de stroom mee te kunnen pakken bij de beruchte Cap de la Hague . Want één ding is zeker, je wil niét op het verkeerde moment in de Alderney Race verzeild raken!

Hoe dat afloopt vertel ik een volgende keer!

Felle, Bretoense meiden. Île-de-Batz, Roscoff.

Île-de-Batz, ergens in de herfst van 1805.

Bleke mist hangt boven het eiland, het is vroeg in de ochtend.  Enkele Britse schepen naderen traag maar zeker het strand. Iedereen weet het. Weerloos zijn de vrouwen op Île-de-Batz wanneer hun mannen voor wéken of gaan vissen of ten oorlog zijn.

En dan priemt plots, zoals wel vaker op een herfstige dag, de zon door de ochtendmist. De zeelui schrikken zich een hoedje. In het verblindende tegenlicht ontwaren ze, op regelmatige afstand van elkaar, silhouetten van soldaten, bajonet in de aanslag. Daar hadden ze niet op gerekend, ze wenden de stevens en zeilen weg.

Opgelucht halen de vrouwen adem. Hun plannetje is gelukt! Enkel met hun coiffes of Bretoense mutsen en hun barattes of botertonnen hebben ze de Engelse kapers verschalkt!

Waar of niet, ik vind het een leuker verhaal dan het andere, veel bekendere van St-Pol-Aurélien die een slang-achtige draak verslaat en het eiland Enez Vaz of Île-de-Batz redt. We zijn hier in het knusse museum van de 44m ofwel 198 treden hoge vuurtoren op Île-de-Batz… We zijn in Bretagne!

Op dit juweeltje van een eiland zijn we gekomen met de overzet vanuit Roscoff.

En in Roscoff, daar zijn we zeilend gekomen vanuit Fécamp. En het mag gezegd, dat is een eind, bijna 200 mijl….

fullsizeoutput_8235

Dat was niet meteen het plan. Of beter gezegd, bij zonsopgang, bij het buitenvaren van Fécamp was er niet eens een plan.

We gingen gewoon érgens naar toe, het was zelfs voor ons nog een verrassing waar dat was…

Begrijp me niet verkeerd. Het is niet omdat er geen plan was, dat er geen opties waren. We hadden naar Cherbourg kunnen gaan. Of om Cap de la Hague heen en dan een poging wagen om te gaan overnachten in Alderney. Ik zeg ‘poging’ omdat we vernomen hadden dat de Channel Islands de versoepeling van de corona-maatregelen voor de UK niet volgden en vakantie houdende pleziervaarders er geweerd werden. Er was ten slotte ook nog de optie om, als het niet zou lukken om de stroom mee te pakken rond de kaap, gedurende de tegenstroom te gaan ankeren in een kleine baai vóór de kaap.

Maar we gingen goed, zelfs erg goed en het zag er in de loop van de middag naar uit dat onze niet getimede timing wel eens kon meevallen.  En zo kwam het dat we ons met de stroom mee om Cap de la Hague heen in de Race van Alderney lieten spoelen. Daar is het dan niet meer met kiezen, je zit in een sneltrein van water en kan alleen maar vooruit.

Al gauw werd duidelijk dat ankeren of een boei pakken in Alderney niét tot de opties behoorde. Over de marifoon op CH20 hoorden we onafgebroken waarschuwen dat de Channel Islands, de eilanden van the Bailiwick, absoluut niet toegankelijk waren. Alderney, Sark, Herm, Guernsey, Jersey, op slot. We hoorden hoe zeiljachtjes die iets te dicht naderden, opgeroepen werden om te polsen naar hun bedoelingen.

En zo komt het dat we gewoon doorvaren, de heerlijk zoete zomernacht in. De wind zakt weg, maar niet getreurd, traag motorzeilend malen we mijl na mijl. Tot in Roscoff…

Hier rond flanerend als echte toeristen komen we wel meer felle Bretoense meiden tegen. Er is de drukdoende dame die ons een flinke Far Breton serveert, halfweg de middag op Île-de-Batz, de dame van leeftijd die met kleurrijke schilderijen exposeert in l’Abri du Canot de sauvetage in het centrum van Roscoff, en ten slotte de flamboyante Myriam van de oester-en zeevruchtenbar Le Surcouf die haar zelfgemaakte vruchtenrum als toetje op de dessertkaart zet…

Na zo’n glaasje lijkt een tocht van 200 mijl een eitje…

 

Schatten van Britten

(Goede) Vrijdag 19 april 2019

Bloederig. Hij zegt het letterlijk. Niet één keer maar zowat in elke zin. Bloody

We liggen net afgemeerd aan de Halfpenny Pier in Harwich na een schitterende, zonnige zeiltocht. Deze ochtend vaarden we Nieuwpoort buiten bij het krieken van de dag, een droom van een noordooster blies ons 78 mijl naar de overkant in iets minder dan 14 uur.

Zagen we weinig volk op zee, hier aan Halfpenny Pier ligt het vol. Op het enige vrije stuk steiger prijkt een plakkaat. Please be aware. Gevolgd door de mededeling dat schepen van meer dan 20m voorrang krijgen aan dit ponton… Veel opties zijn er niet. In binnenvaren in Shotley marina hebben we geen zin en we zijn te moe om nu nog een eind de rivier op te varen en aan een mooring te gaan liggen. Een paar mensen van de andere jachtjes nemen vriendelijk onze lijnen aan. Tenslotte staat er ook niet dat het verboden is, toch?

Als we iets later in de kuip aan het avondeten zitten, met zicht op een dieporanje avondlucht boven de rivier, komt de havenmeester langs. Een luide goedlachse kerel die met veel verontschuldigende handgebaren komt uitleggen dat we helaas bloody plaats zullen moeten maken. Hij verwacht een tweemaster van 30m, de Lady of Avenel. Maar het bloody schip had hier al bloody uren geleden moeten zijn en het heeft bloody niks van zich laten horen en voor zijn part mogen we hier bloody blijven en vooral eerst en vooral van ons bloody lekker avondmaal genieten. En hij voegt er nog vlug aan toe dat – ook al vindt hij ons bloody sympathiek- we geen Britten meer in België moeten verwachten met ons rode-diesel-gedoe. Maar voor de rest moeten ons vooral nergens bloody veel van aantrekken, gewoon graag even plaats maken voor de bloody Lady of Avenel en er dan maar langszij gaan met de melding dat hij, de havenmeester, gezegd heeft dat het bloody goed was. En weg is hij, met een hartelijke zwaai.

Als de tweemaster anderhalf uur later aankomt, varen we netjes weg van het ponton, blijven even op de rivier wachten tot ze afgemeerd zijn en vragen dan om langszij te mogen komen. Sure, no problem! Grote glimlach en tal van helpende handen om onze lijnen aan te nemen.

(Paas)zaterdag 20 april 2019

Vandaag zeilen we naar het lieflijke Brightlingsea, een goeie 20 mijl verderop in de Thamesmonding. Nog maar eens is de zon volop van de partij. Als we kort na de middag de Colne rivier op varen en rechtsaf nemen naar de Brightlingsea Creek zijn we duidelijk niet de enigen die van het zomers aandoende lenteweer genieten. Het krioelt hier van de boten en bootjes. Opvallend veel zwaardbootjes, catamarans ook. Wat een drukte. Plots komt een snelle motorboot op ons toe gevaren. De man aan het stuur van de boot, zonnebril met oranje spiegelglazen, armen als boomstammen, flink getatoeëerde boomstammen, roept ons toe. Of we een ligplaats willen, misschien? Ja, fijn!

‘Maarrre…, jullie zitten wel midden in het startveld van een  zeilwedstrijd’, schreeuwt hij, ‘over vijf minuten gaan ze! Je kan óf vijf minuten wachten óf nú doorvaren!’

En dan haalt hij de schouders op en schreeuwt lachend: ‘Ga maar, snél, ik escorteer jullie wel… Ik ben de havenmeester!’ en hij stuift er vandoor. Wij er achteraan.

Hij begeleidt ons naar het eerste drijvende ponton aan de overkant van het dorp waar we een royale plek toegewezen krijgen. Dikke meertouwen laten vermoeden dat dit de vaste ligplaats van een werkschip is. Kunnen we hier wel blijven, moeten we ons nog verleggen? De havenmeester wuift onze zorg weg, het schip komt toch niet meer dit weekend, we kunnen hier blijven liggen, no worries! Even later liggen we afgemeerd, neus in de strakke oostenwind, en de zonovergoten kuip heerlijk beschut, mét zicht op de zeilwedstrijd…

De havenmeester vaart ook de watertaxi heen en weer en brengt ons van het ponton naar het dorp en na een frisse wandeling weer terug.

Vriendelijke havenmeesters, ze zijn goud waard…

Uit beleefdheid

Toen de vlag, dertig bij veertig centimeter, rood, geel en blauw, maanden later terugkeerde aan boord van onze Pat Panick, had ik een ‘de cirkel is rond’-gevoel. Het stemde me vrolijk. Voldaan ook. Omdat ik er van bij het begin nooit aan getwijfeld had dat het zo zou gaan…

En nu, hier in Mijdrecht, Nederland, aan een stel bijeen geschoven tafels in de kantine van een bedrijvencentrum, bedekt met tientallen kleurrijke vlaggen, komt de herinnering aan die ene vlag weer aangewaaid. En vraagt het verhaal om verteld te worden. Net als de talloze verhalen in deze kantine. Straks meer daarover.

2016, Kirkwall, Orkney.  Bij aankomst op deze eilandengroep ten noorden van Schotland vond ik het wel gepast om er de plaatselijke beleefdheidsvlag in het stuurboordwant te voeren. En niet die van Schotland… Las vond het overdreven, ’20£ voor een lapje stof, en we zullen hier amper een dag of tien rondvaren! Maar die Orcadians, dat is een volk apart. Die voelen zich niet helemaal Schots, en er stroomt wellicht evenveel Noors als Brits bloed door hun Orcadiaanse aderen. Omdat ze vonden dat een eigen vlag dat gevoel wel eens mocht uitdragen schreven ze in 2007 een wedstrijd uit. Het was namelijk zo dat hun vorige vlag, een rood kruis op een geel veld, te veel op die van het district Ulster in Noord-Ierland leek, zodat ze door het eerbiedwaardige instituut voor heraldiek in Schotland, Court of the Lord Lyon King of Arms, nooit erkend was geraakt… Een postbode uit Birsay won de competitie en de Orcadian Flag was een feit.

Het rood en het geel in de vlag verwijst naar de wapenschilden van Noorwegen en Schotland, het kruis is een Noors kruis en het blauw in de vlag verwijst naar Schotland, de zee en hun maritiem erfgoed…

Een dag of tien wappert de fleurige vlag beleefd onder de eerste zaling aan stuurboord, zoals een beleefdheidsvlag aan boord van een schip hoort te doen. Daarna berg ik ze op onder de zitting aan de kaartentafel. Niet voor lang, maar dat weten we nog niet.

 Zo’n 100 mijl verder… Groot is onze verrassing als we op Out-Skerries, één van de Shetland eilanden, solo-zeiler Henk en zijn jachtje s/y Rolwolk terugzien. We ontmoetten hem weken eerder in Peterhead, Schotland. Henk zou van daar zo ver mogelijk noordoostwaarts varen, tot aan de Shetlands, om dan rustig terug te hoppen naar de Orkney’s. Wij planden het andersom. ‘Als jij nog naar de Orkney’s gaat, dan neem je toch gewoon onze vlag mee,’ lach ik. En na een zachte schop van mijn schipper tegen mijn scheenbeen: ‘Op voorwaarde dat je die terug bezorgt in Nieuwpoort, natuurlijk..’ Later aan boord volgt nog wat schamper gemopper. Over hoe naïef ik wel ben en zo.

De zomer is al ver op haar eind als we een mailtje krijgen van Henk. Nieuwpoort heeft hij niet kunnen aanlopen op zijn terugtocht. Wel gaf hij onze vlag mee met een zeilend stel uit Nieuwpoort… De naam van de boot is hij helaas kwijt. Het was een naam uit de Griekse Oudheid, een liefje van Zeus, zoiets… Mijn schipper trekt zijn ‘zie je wel’-gezicht.

Ik vertel het verhaal aan een vriendin die in een watersportbedrijf werkt. En dan schieten lot en toeval in actie. Want niet veel later krijgt die vriendin het verhaal te horen van een stel dat afgelopen zomer naar de Orkney’s zeilde, daar een vlag mee kreeg van een Nederlander, maar de naam kwijt was van de boot voor wie ze bestemd was… De bemanning van de Lamia… Kort daarna kan ik tevreden mijn vlag weer opbergen onder de zitting aan de kaartentafel…

En nu nog even terug naar Mijdrecht… Al ligt dit een eind van zee, de mensen die we hier op een zonnige zaterdag in februari ontmoeten denken aan bijna niets anders dan de zee. En hun Breehorn. Want we zijn hier op de eerste vertrekkersdag van de Breehornzeilers. Negen stellen die binnen de drie jaar voor langere tijd weg willen met hun boot zijn hier samen gekomen en als ervaringsdeskundigen zijn Bertie en Martin van de Blue’s aanwezig. Jarenlang zeilden ze in Caraïbisch gebied en sluiten wegens leeftijd en gezondheid dit hoofdstuk af. Alle beleefdheidsvlaggen die ze in die tijd verzamelden liggen op tafel, achter elke vlag een kleurrijk verhaal.

Er wordt druk van gedachten gewisseld die dag en na afloop zijn we niet alleen heel wat tips rijker, we mogen elk een paar vlaggen meenemen. Kiezen doen we niet, we laten het gewoon aan het toeval over…

Afspraakje in Ådnøy, doorzakken op Langøy

Woensdag 18 juli 2018

“A, met zo’n bolletje er op, D, N, O met zo’n schuine streep er door, Y. Ådnøy, ja. Coördinaten? 58°55’1N 5°59’8E. Wat zeg je, we hebben jullie wakker gebeld? O jee, oprechte excuses…” Mijn wangen kleuren rood, maar dat zie je niet over de telefoon. “Nee hoor, geen haast, we zien jullie vanavond of morgenochtend, ook goed, wat er het beste uitkomt…”

Ik heb net gebeld met Jan-Willem van Iskander. En van Renée. Iskander is een Breehorn 41 in een bijzonder mooi blauw. Of is het groen? Iets er tussenin. Maar zo mooi, dat er intussen al meer Breehorns in een vergelijkbare tint rondvaren. We leerden Jan-Willem en Renée kennen op onze allereerste winterontmoeting van de Breehornzeilers. En er was een vage afspraak geweest. Zij planden dit jaar in juli een zomervakantie in Noorwegen, wij ook. Eind juni whatsappen we elkaar onze vaargidsen en kaarten maar veel concreter dan “Ergens in het Noorden borrelen?” wordt de afspraak niet. En zo hoort het ook met een zeilboot…

MarineTraffic verklapt dat ze een week na vertrek uit Nederland niet in Noorwegen maar in Schotland zijn. Daarna in Kirkwall, Orkney. Hm, geen Noorwegen dus. Tot er een verrassend whatsappje komt dat ze van daaruit vertrokken zijn richting Stavanger.

En nu heb ik ze wakker gebeld… Wij zijn vroeg op hier in Lysebotn en het is me helemaal ontgaan dat zij net een tocht van 250 mijl achter de rug hebben. Kort na de middag vertrekken we naar Ådnøyvågen, zo heet het baaitje op het eiland Ådnøy. Las prikte het op de kaart omdat het ongeveer halverwege Stavanger en de Lysefjord ligt en onze Imray Pilot het omschrijft als ‘attractive’ en ‘sheltered’…

De Lysefjord terug uit varen is mooi, en je raadt het nooit, de wind zit weer maar eens lekker tegen. Opnieuw hangen de wolken laag en dreigend boven de fjord, maar later klaart het op.

Wanneer we de baai van onze afspraak binnenvaren, ligt Iskander daar al vredig geankerd in een stralende avondzon. Dus tóch borrelen in Noorwegen!

Het borrelen gaat over in avondeten, het avondeten in dessert en al zijn het de langste dagen van het jaar, het is al pikdonker als Iskandertjes met hun bijboot terugpeddelen…

Donderdag 19 juli 2018

Stil, zomers en mooi is het hier in onze paradijselijke ankerplaats. Luieren in de zon, zwemmen in het koele water, een stukje lezen, meer hoeft niet. Na de middag lichten we het anker en nemen afscheid van Iskander…

Stavanger staat nog op ons programma, maar we stellen de drukte van de stad nog even uit en varen naar het kleine eilandje Langøy. Las prikt het op de kaart omdat het op slechts 2,5 mijl van Stavanger ligt en onze Imray Pilot het omschrijft als ‘attractive’ en ‘convenient’…

We liggen er langszij bij een gezellige Noorse familie die geen neen zegt tegen een Belgisch biertje. Borrelend gaat de avond over in de nacht…

BewarenBewaren

De Noren gereserveerd, zeg je?

“Weet je wat er zo speciaal is aan de Noorse windmeters? Ze wijzen altijd met hun pijl naar waar de wind vandaan komt!” Arve en Cecilia lachen hartelijk. We hebben het hier al ondervonden, tussen de eilanden draait de wind verrassend en ja, hij lijkt steeds weer tegen te zitten…

14 – 15 juli 2018

Sauøya

Zachtjes varen we de baai binnen. En we zien het meteen, dit plekje is een paradijs. Spiegelglad turkoois water, een kleine kom. Er ligt een zeilboot voor anker. Het stel op de boot zwaait naar ons. Geen klein wuifhandje of een snelle strakke ‘hoi’, maar een brede trage zwaai, heen en weer in een duidelijke boog. Ik hou van dit gebaar, die typische bootmensen-zwaai…

Twee vaargidsen hebben we aan boord, de Vaarwijzer Scandinavië en de Oostzee van René Vleut en de Imray Pilot Norway van Judy Lomax. Het boek van René Vleut bevat een schat aan informatie maar omvat zo’n uitgestrekt gebied dat er niet echt in detail kan worden gegaan. Dat doet de Imray Pilot dan weer wel. Maar 25.000 km kustlijn krijg je niet zomaar in een boek gepropt, dat is duidelijk. Verder hebben we nog twee heerlijk gedetailleerde atlassen van de uitgeverij NV Verlag, NO 5 en NO 6.

Het plekje dat we voor vandaag uitgekozen hebben, een baai op het eiland Finnøy, bevalt ons niet echt, er staan te veel huizen, er is een zeilclub, het is er te druk. We varen door naar het piepkleine Sauøya…

Daarvoor moeten we om het eiland Bokn heen en of je daarvoor noord of zuid kiest, maakt niet uit, het is ongeveer even ver. In de hoop de wind eens niét tegen te hebben, kiezen we voor de zuidkant… Maar wat ik niet gezien heb op de kaart is dat er op deze vaarroute een kabel van 22m tussen twee eilanden hangt. Help, onze mast! Zijn we nu 20, 21 of 22m doorvaarthoogte? Veel tijd om ons hierover druk te maken, is er niet. We schuiven sneller dan ik wil dichter en dichter naar de kabel toe, die voor mij slechts halverwege onze mast reikt. Ik weet wel dat dit gezichtsbedrog is maar tot de laatste seconde ziet het er griezelig te laag uit. Ik verbaas me er over hoe rustig Las blijft wanneer we er probleemloos onderdoor gaan. “De kaarten nemen een goeie marge, en het is laag water…” Even later liggen we voor anker in een filmdecor.

De Noren op de zeilboot een eindje verderop blijven uitnodigend kijken en lachen naar ons. Als Las er met de bijboot naar toe roeit en ze voor een drankje en een babbel aan boord uitnodigt, zijn ze “ja, takk” meteen akkoord.

We maken kennis met Cecilia en Arve, een hartelijk koppel uit Tananger. Oprecht openhartig bekennen ze zopas onze vlag gegoogeld te hebben, want waren even in twijfel of het nu een Duitse vlag was of niet. Ze hebben bewondering voor het feit dat wij hier aan de westkust komen zeilen, volgens hen wil iedereen naar het meer mondaine zuidoosten van Noorwegen. Maar zij zijn fier op hun iets minder toeristische vaargebied. Met de kaarten er bij duiden ze nog een paar mooie plekjes aan en geven ons het advies om naar Jørpeland te varen in plaats van naar Tau als we naar de Preikestolen willen. Waar ze, voegen ze er fijntjes aan toe, zelf nog nooit geweest zijn wegens te toeristisch… Hún favoriete zeilgebied is de Hardangerfjord. Dat is die van op ons ooit-nog-to-do-lijstje.

Arve is wég van onze real sea-going boat zoals hij onze Breehorn noemt. ‘Een boot om mee naar het Noorden te varen,’ zegt hij dromerig, ‘de Lofoten…, en verder.’ Nog meer op ons ooit-nog-to-do-lijstje dus.

We kletsen en lachen de zomerse avond weg met kleurrijke zeilverhalen. De volgende ochtend blijven we nog tot een stuk in de namiddag in dit mooie plekje vooraleer we ons anker lichten en doorvaren naar Jørpeland en de Preikestolen..

Een zeemansgraf van ijs

1 december 2017, minder dan een handvol graden is het buiten. Het seizoen van korte dagen en lange avonden, perfect voor een ijzig verhaal.

‘Er bestaat geen slecht weer, alleen slechte kleding.’ Dat zeggen ze in Scandinavië en ik denk wel dat zij het kunnen weten. Ook op een boot is het feit, je moet verdorie goed gekleed zijn om het bij bar weer leuk te houden op de Noordzee. Warm en droog blijven is de kunst. Op onze laatste zeiltocht van het seizoen – begin november- valt het weer best mee voor de tijd van het jaar. Mijn recept is thermisch ondergoed als eerste laag, een warme fleece als tweede laag en een zeilpak als derde laag, aangevuld met sokken, laarzen en mijn handgebreide Fair Isle wollen muts. We staan er soms niet bij stil, maar vandaag de dag zijn we verwend met nieuwe materialen die niet alleen warm maar ook nog eens vederlicht zijn, eenvoudig te wassen en snel weer droog. Die hoogtechnologische dingen zorgen er zelfs voor dat zweet er uit kan en regen er niet in. Die luxe hadden de bemanningen van de HMS Terror en HMS Erebus niet, twee zeilschepen van een Britse expeditie die meer dan 170 jaar geleden op zoek ging naar de fel begeerde Noordwestelijke doorvaart

‘Death in the Ice’, een knappe tentoonstelling in het Greenwich Maritime Museum brengt dat ijzige verhaal. Na een herfstige zeiltocht naar Dover hebben we de trein naar Londen en de metro naar Greenwich genomen. Een stevige brok maritieme geschiedenis. De Cutty Sark bezochten we al, maar de vaste collectie van het scheepvaartmuseum wil ik wel graag zien. We komen er niet aan toe, de tijdelijke expo over de poolexpeditie van Sir John Franklin is zo beklijvend dat we er tot sluitingstijd blijven hangen…

In 1845 vertrokken twee schepen, goed uitgerust voor een tocht naar het onbekende Noorden. Maar HMS Terror en HMS Erebus vaarden zich vast in het ijs. Er gingen twee jaar voorbij, van de bemanning werd niets meer gehoord.

Expeditie na expeditie werd er op uitgestuurd. En leidden hun zoektochten niet tot de vondst van de twee verdwenen schepen, ze zorgden er wel voor dat heel wat nieuwe  stukken land uit dat gebied in kaart konden worden gebracht.

Helemaal spoorloos was het team van Sir John Franklin niet verdwenen. Soms werden gebruiksvoorwerpen en documenten teruggevonden. Zelfs een reddingssloep met menselijke resten werd ontdekt. En heel recent, na jaren van niet aflatend onderzoek, zijn in 2014 en 2016 beide schepen teruggevonden, allebei in verbazingwekkend goede staat. Nog lang niet alles wat er met de arme zeelui is gebeurd, is achterhaald, de expo belicht die historische zoektocht van bijna 170 jaar.

Wat me verrast is de rol van de Inuit in die zoektocht.

Omdat zij een heel eigen taal hadden waar geen schrift bij hoorde zoals wij dat kennen, was mondelinge overlevering voor hen erg belangrijk. Ze ontwikkelden er een sterk geheugen door, hun verhalen zaten vol details en werden met de grootste zorg doorgegeven. En precies die getuigenissen verhaalden keer op keer hoe de ‘witte mannen’ hun schepen verlaten hadden en met sleden op weg waren gegaan. Er waren ook plaatsaanwijzingen, maar daar werd weinig geloof aan gehecht. Maar tijden veranderen en men begon in te zien hoe waardevol hun overlevering wel kon zijn. Uiteindelijk leidde dat mee tot de vondst van de scheepswrakken. De expo besteedt ruim aandacht aan die mondelinge traditie van de Inuit.

Mij treft de beschrijvingen van hoe vreemd gekleed de Inuit de ‘witte mannen’ wel vonden, met ‘hun hoed niet bevestigd aan hun jas’. Dat vonden ze zo gek, dat het een vast onderdeel werd van hun verhalen. Het maakt duidelijk dat de kleding van de Britse bemanning helemaal niet geschikt was voor het ijzige poolklimaat en dat dit mee de oorzaak was van hun uiteindelijke dood in het poolijs…

Wanneer we ’s anderendaags heel vroeg de zee op gaan, trek ik de kap van mijn jas stevig over mijn muts… Verhalen vol details, onderschat ze niet…