Bakken aan boord

2 februari, Lichtmis. Er is geen vrouwtje zo arm, of ze maakt haar pannetje warm.

De zes donkere weken van het jaar, drie vóór en drie na Kerstmis, hebben we al even gehad. Heel langzaam krijgen we dag na dag een beetje meer licht. De traditie wil dat je met Lichtmis pannenkoeken bakt, het zou je verzekeren van voorspoed voor de rest van het jaar. Dat geloven we graag en bakken is gezellig zonder meer. Zeker als het buiten guur en somber is. Wat het in ons klimaat zelfs soms in de zomer is…

15 juni 2016. Scarborough. We zijn enkele uren geleden vertrokken voor een tocht naar Wick, het noorden van Schotland. Bij aankomst in Scarborough, twee dagen eerder, was er dikke mist geweest, het leek wel herfst. Een dag later was de hemel strak blauw, de zon straalde. En nu, nog een dag later, lijkt die zomer alweer voorbij. Alles is grijs, het water, de lucht, de boot, wij. Massa’s mijlen liggen voor ons. De miezer gaat over in regen. Dat gaan wel hele lange mijlen worden denk ik dan. Tijd voor iets leuks. ‘Wat dacht je van thee en cake?’, vraag ik mijn schipper. Opklaring!

Dan besef ik dat ik wel wat voortvarend ben. Cake? Bakken? Aan boord? Ik heb niet eens een bakvorm! Geen weegschaal. Geen mixer, en zelfs geen deegkom. Maar ik heb eitjes, suiker, bloem en boter. En appels en rozijntjes.

En ik heb wel meer. Een pannetje met metalen handvat, waarom niet, dat kan zó de oven in. En een maatbeker waar met gekleurde streepjes ook gewichten van bloem en suiker op aangegeven staan. Een slakom kan dienst doen als deegkom…

Ik gok een beetje voor het gewicht van de boter en roer er met een vork 200 gr suiker door. Dan gaan er drie eitjes bij, één voor één. Ten slotte komt er 200 gr zelfrijzende bloem bij.

Nu nog de rozijnen en de in stukjes gesneden appels. Ik vet de binnenkant van de antikleefpan in en bestuif met bloem. De hoeveelheid deeg past wonderwel in de pan! Tenminste, nadat mijn schipper om een proevertje is komen bedelen. Bij ons wordt geen cake gebakken zonder dat er wat gesnoept wordt van het deeg. Onweerstaanbaar vindt hij!

Mijn gasoven aan boord is voorzien van een piepklein schermpje waarop je de temperatuur kan aflezen. Ik laat voorverwarmen tot de wijzer ongeveer op 180°c blijft hangen. Om de cake niet te laten aanbranden, zet ik de pan zo hoog mogelijk. Na ongeveer een half uur ziet het er veelbelovend uit en ruikt het heerlijk in de kajuit… Als ik in midden van de cake een houten tandenstoker prik, komt die er droog uit. Klaar!

Voor helemaal afkoelen is er geen geduld… Een dik plak lauwe cake, een kopje thee, de ideale troost op een regenachtige dag op zee…

Hoe ver was het nu eigenlijk?

Zoveel zeilers zoveel stijlen. De een houdt minutieus een papieren logboek bij, de ander bewaart elke gevaren track in de boordcomputer, er zijn er die veel varen, maar niets bijhouden. Aan het eind van het zeilseizoen zijn er schippers die het exact aantal gevaren mijlen van hun boot kennen, en ook die van het jaar daarvoor, en het jaar daarvoor. Met een precisie die je ook aantreft bij mensen die de winnaars van het Songfestival of de Tour de France kennen sinds het begin der tijden. Mijn schipper heeft eerder de neiging om na elke zomer te zeggen, ‘We hebben vast en zeker minder gezeild dan vorig jaar’, niet gehinderd door enig ter zake doend cijfermateriaal. Is het nu van zoveel belang, en wat is een mijl? Of anders, de ene mijl is de andere niet. Geen enkele zeiltocht is gelijk. Je kan afzien op korte tochtjes, nijdige golfslag, stroom tegen, lastige wind, regen. Maar je kan evengoed soepel varen, stroom mee, gezapige koers, je verbazend over hoe snel het gaat.

Wij zijn absoluut geen wedstrijdzeilers, maar na een tocht ben ik toch steevast nieuwsgierig naar onze gemiddelde snelheid. Waarbij ik ontnuchterend vaak bij het zelfde getal uitkom…

Sinds drie jaar navigeren we ook op de Ipad met Navionics kaarten. Ik vind het fijn, de lay-out van de kaarten is helder, je kan routes aanmaken, getijden en stroming zijn handig op te volgen. En na een tocht kan je de gevaren track opslaan. Maar dit is weer zo accuraat als je zelf bent. Want als je een haven aanloopt, en in de beslommeringen van ligplaats opzoeken, manoeuvreren en afmeren, je track vergeet op te slaan en dit pas veel later, tijdens het nuttigen van je welverdiende biertje vaststelt, dan slaan die gegevens nergens meer op. (Nee, we vaarden geen 17h20′ over de 34 mijl van Southwold naar Harwich…)

Of als je per abuis je pagina ‘wegveegt’, houdt je track ook daar op. Het is ons zelfs een keer overkomen dat de dikke gele lijn die het gevaren traject aanduidt, plots 180° flipte en ver ten zuiden van Ghana, Afrika in de Golf van Guinea eindigde, vraag me niet waarom.

Het blijft dus nog altijd een hulpmiddel en we blijven onze papieren kaarten altijd trouw.

Dit jaar waren we voor het eerst zes weken weg en dankzij die tijd –wat een luxe- vaarden we verder dan we ooit deden met onze boot. Het was een mooie reis en met de herfst in het verschiet, kijk ik graag terug. Bij het ordenen en sorteren van het foto’s, heb ik ook neiging om onze tracks te ordenen en te sorteren. Ook al omdat iemand me onlangs vroeg hoe ver we gezeild waren en ik eigenlijk niet kon antwoorden. En ook omdat mijn schipper en ik op een keer een discussie hadden over hoeveel nachten we op zee waren voor onze barre tocht van Scarborough naar Peterhead. Las was overtuigd van twee, ik hield het bij drie. Vreemd hoe herinneringen soms een eigen leven gaan leiden en hoe zeiltochten en zeilervaringen individueel zo kunnen verschillen.

Daarom blijf ik het bijhouden van een papieren logboek graag doen, en schrijf er meer in dan alleen maar onze positie of wind, barometer en getij. Als we dolfijnen zien, of een regenboog, als we radiocontact hebben met een ander schip. Soms maak ik zelfs aantekeningen van wat ik kook.

En nu heb ik toch maar eens al onze tochten en tochtjes in kaart gebracht, van Nieuwpoort tot het noorden van Shetland en terug. 1.650 mijl hebben we gevaren. In 22 tochten en tochtjes. De kortste tocht was 3 mijl, de langste 357 mijl. We vaarden twee keer een nacht door, twee keer twee nachten en een keer drie nachten. De snelste tocht was die van Fair Isle naar Lerwick. En we legden flink wat mijlen meer af door het water dan op de kaart. En ons gemiddelde snelheid, die kwam maar iets boven de 5 knopen uit. Ik had het kunnen weten…

Halfpenny Pier, Harwich

Southwold-Harwich en Harwich-home!

34 mijl naar Harwich, onze laatste tussenstop tot thuis…  ‘Haast’ zou ik het niet durven noemen. Maar bekend vaarwater en een we-zijn-bijna-thuis-gevoel verandert ons onmerkbaar. Jawel, we zijn nog oplettend. En ja hoor, we trimmen onze zeilen nog. Maar in het logboek bijhouden worden we nonchalanter. En mijn aandacht voor de omgeving verflauwt. Ik ben net op dreef geraakt in een boek dat ik voor de vakantie gekocht had om te lezen in de Shetlands. De Vlamberken. Maar toen we daar waren, kwam ik niet aan lezen toe. Nu heeft het spannende verhaal mij in zijn greep.

Het vertrek uit Southwold is nog even spannend, bij de havenuitgang staat flink wat stroom. Maar alles gaat goed. Alleen voor de vuurtoren van Orford Ness haal ik nog even mijn camera bovendeks en dat is het.

In Harwich kun je overnachten in Shotley marina, een naar mijn gevoel beetje saaie jachthaven. Je kan ook de river Orwell opvaren tot aan Suffolk Yacht harbour of Woolverstone marina. Zowel op de river Orwell (rechtdoor) of de river Stour (bakboord uit) kun je aan een boei gaan liggen of ankeren. Maar minstens zo charmant is de Halfpenny Pier van Harwich. De pier dankt zijn naam aan de tol van een halve penny die hier ruim 160 jaar geleden geïnd werd. Maar je moet een beetje geluk hebben want veel ruimte voor jachten is er niet. Wij meren af op de plaats van de ferry. Na 6:00 pm vaart die niet meer en de volgende dag gaan we bij het krieken van de dag vertrekken, dus voor een nachtje kan het wel. All yachts prohibited laten we even voor wat het is… Ik hou van de sfeer hier.

We heffen een glaasje -ik ben jarig!- als we plots een ongewoon zoemend geluid horen. Boven ons zweeft iets als een klein ruimtetuigje -verhip, een drone!-, hangt even stil en maakt dan vliegensvlug rechtsomkeer. Een raar gevoel, zo vanuit de lucht bekeken worden. Maar ‘ieder nadeel heb ze voordeel’ en ik por Las om de bestuurder van de drone te gaan zoeken, ver kan die niet zijn. En inderdaad, op een bankje op de pier zit een man zijn gadget te besturen. En vinden we onderstaande foto’s amper een dag later in onze mailbox!

Op deze foto’s zie je hoe dit antieke stukje Harwich iets weg heeft van een dorp op een schiereilandje. Wat een contrast met Felixstowe aan de overkant, de drukste containerhaven van Groot-Brittannië. Niet te missen in Harwich is de gezellige Alma Inn, waar je lekker kan eten, wat dacht je van gegratineerde oesters of een gegrild kreeftje?

En dan is daar onze laatste tocht, 78 mijl naar Nieuwpoort. Beetje zeilen, beetje halfwinder, beetje motor en voor we het beseffen zijn we terug thuis. Zes zalige weken liggen achter ons. Het smaakt naar meer…

 

 

 

 

 

Gedonder in Southwold

De zomer zindert in Lowestoft. Schaterend zoeken kinderen verkoeling onder de fonteinen.

Met een ijsje kuieren we langs de dijk, installeren ons op het strand en doen er een zalig dutje. Hoog toerist-gehalte dus. Later lopen we nog tot Ness Point, plek van superlatieven. Met 001°45’53 E het meest oostelijke punt van Groot-Brittannië, de hoogste windturbine, Gulliver, 126m hoog. Sloom maaien de wieken van de reus in de warme lucht.

’s Avonds eten in het restaurant van de Royal Norfolk & Suffolk Yacht Club lukt helaas niet. De kok heeft de handen vol aan een grote groep Nederlanders op clubuitstap. Gelukkig voldoende proviand aan boord voor iets lekkers. De volle maan verlicht de marina.

En dan naar Southwold. Onze zeilvrienden die daar al eerder kwamen, hebben het vaak over hoe bijzonder het daar is. Maar het is er opletten met het tij. En zeker nu -net volle maan voorbij- met springtij. Het is ook heel hard gaan waaien, uit het zuiden nog wel. We ploeteren 13 mijl traag langs de kust, niet het meest aangename tochtje. Klutszee. De aanloop van de rivier Blyth is spectaculair, er staat nog stroom naar binnen, de wind loeit daar dwars overheen.

Zonder zeilen en zonder motor stromen we aan 4 knopen naar binnen. We worden er zenuwachtig van, onze 13 ton lijkt dus niet zomaar gestopt te kunnen worden. We hebben een plek gereserveerd en de havenmeester staat te zwaaien van op een boot waar we langszij moeten. En dan gaat het anders dan verhoopt. Keren op de stroom geeft een raar gevoel, het lijkt wel of je uit de bocht gaat. Varen we nog iets te snel, heeft de wind ons te pakken, hoe dan ook, we belanden bruusker dan bedoeld tegen het jacht. En dan gaat het nog veel anders dan verhoopt. Zowel hun als onze stootwillen rollen mekaar omhoog, tussen de twee boten uit. Oh nee, oh nee. Afstand nemen lukt niet, de havenmeester houdt de lijn te strak, de wind perst ons tegen de flank van de boot. Onze robuuste stootrand slijpt zich piepend in de witte gelcoat van de buurman. Een beetje vooruit, een beetje achteruit. Het geluid gaat door merg en been. Wanneer we uiteindelijk goed liggen, komen de eigenaars van de Morning Star aan boord en biechten we blozend het gebeurde op. Gelukkig nemen ze het sportief op –this is not the end of the world– en de schipper besluit de schade ter plekke te laten herstellen. Wij vereffenen de rekening.

Southwold is apart. Een landelijke wandeling brengt ons in het pittoreske centrum.

Het is er druk, toeristen shoppen, eten fish & chips en drinken halve liters Adnams ales. Het valt me op dat het aanbod van de winkels, of het nu om souvenirs of mode gaat, smaakvoller is dan in de doorsnee Engelse badplaats.

Ook bijzonder is de Southwold Sailors’ Reading Room. Deze leeszaal, ooit geopend om zeelui uit de kroeg te houden, ademt meer dan 150 jaar maritieme geschiedenis. Je mag er helaas geen foto’s nemen.

We wandelen terug langs de rivier, waar allerlei stalletjes het lekkerste uit de zee verkopen.

’s Avonds ontlaadt het drukkende zomerweer zich in een knetterend onweer. Harde donderslagen, felle bliksems en striemende regen. We zitten lekker te eten in de Harbour Inn, met uitzicht op de boot. Gedonder in Southwold…

 

 

Bloggen in stijl in de RN&SYC

The Royal Norfolk & Suffolk Yacht Club in Lowestoft. Een ronkende naam die naar donkerblauwe blazers met koperen knopen klinkt. Mét bijbehorende club tie. 157 jaar geschiedenis. Britain’s most easterly yacht club. Maar de sfeer is zomers en ontspannen, ik zie niemand in hemd en blazer.

Bij het binnenkomen in dit monument trekt een schilderij in het blauw/roze salon -blauw het dikke tapijt met embleem, roze de muren en gordijnen- mijn aandacht. Iemand van de club komt meteen naar me toe, helemaal in zijn nopjes vanwege mijn interesse en vertelt niet zonder trots dat dit een schilderij is van de blijkbaar gerenommeerde Edward Seago. What’s in a name…

En nu zit ik hier met mijn laptopje, aan de glanzend gepolitoerde tafel, achter mij staan blinkende bekers en trofeeën glimmend in een glazen kast uitgestald, het geboende parket met visgraatmotief kraakt onder mijn voeten. Voor me een geurig boeket verse bloemen. Overal schilderijen, schaalmodellen van zeiljachten, foto’s van wedstrijden met ranke schepen op wilde zeeën, lang lang geleden.

Bloggen was nergens zo stijlvol als hier. Tijdens deze reis was ik op de gekste plekken om mijn schrijfsels online te krijgen. In Scarborough was het nog simpel, daar blogde ik in de King Richard III, een bruine pub. Bij een snelle hap, een bord frieten met kaas, raar maar verbazend lekker.

In Peterhead was het beste plekje voor internet het kantoor van de havenmeester. Ik schoof gezellig bij aan zijn bureautje. Toen hij even weg moest, mocht ik blijven. Hij zei dat hij normaal gezien altijd de deur sloot, maar als ik beloofde dat ik er bleef zitten kon het wel. Als ik wou, mocht ik ook de telefoon opnemen…

En dan Kirkwall, Orkney. We lagen aan het eind van het ponton en het internet strekte niet zo ver. Beste plek was de container met douches en toiletten. Met mijn laptop op het toilet gaan zitten vond ik echt niet kunnen. Het werd dan maar het bankje in de douchecabine.

In afwachting van internet, tikte ik gewoonlijk mijn tekstjes al uit in Word. Maar soms, na een paar dagen zonder walstroom, vond ik het bijna zonde om de generator de stilte te laten verbrijzelen alleen voor wat stroom. Pen en papier dan maar. Ik was bijna vergeten hoe leuk gewoon ouderwets schrijven is…

Op het eiland Westray, in Orkney, vroeg ik de havenmeester naar wifi. Lachend schudde hij het hoofd. ‘Hier is nergens wifi,’ en dan fluisterend ‘… behalve in mijn huis.’ Om samenzweerderig te vervolgen: ‘Maar je krijgt de code.’ En zo ging ik met mijn laptop in zijn voortuintje op het bankje tegen de gevel zitten. Met een paraplu boven mijn hoofd. Tegen de zon in mijn scherm.

Af en toe lukte het met het beloofde internet helemaal niet, zoals in de Lerwick Boating Club. Maar de bibliotheek en het museum hadden dan weer flitsend snel internet.

In Arbroath ging de laptop mee op restaurant. Nee, ik tokkelde niet tijdens het eten, maar wachtte tot de koffie om mijn blogpost online te zetten. Het werd al wat laat, het restaurant liep leeg, nog niet alle foto’s waren geüpload, toe, doe nog maar een koffie. En nog een… De ober had geduld, mijn artikel raakte af, maar later in bed kon ik de slaap niet vatten…

En nu, hier in Lowestoft, op het eind van een warme zomerdag, is het zalig schrijven. Een koele gin-tonic bij de hand.

Rondom mij ademt het gebouw zijn zeilgeschiedenis…

 

 

 

 

 

 

Nachtzeilen schept een band

Ik moet het toegeven. Een mens is soms te snel met een oordeel.

In Arbroath ligt een boot, de Fidelia. Wanneer met het opkomend tij de poort van de marina opengaat, varen ze uit. Wij ook.

In Eyemouth -we zijn zelf net afgemeerd- komt een boot langszij bij ons. He, de Fidelia! Veel meer dan een korte babbel komt er niet. Je hoeft niet de hele wereld op de koffie te vragen, maar toch, dit is weinig. We verzuchten even dat het toch anders was in Orkney, Fair Isle en Shetland. Daar sprak iedereen iedereen. We waren er ook met minder. Ik weet het niet, ongemerkt is daar dat oordeel.

En dan komen we toe in Amble. Oh, kijk, daar ligt Fidelia alweer, een flink eind bij ons vandaan. De man gaat de mast in, een klus moet geklaard. Zo gaat dat in een haven, je kijkt, je ziet dingen. Neemt er zelfs even de verrekijker bij. Zwaait. Maar al zijn we nu in de derde marina samen afgemeerd, tot een babbel komt het niet. Als we van een lange wandeldag terug aan boord komen, blijkt Fidelia alweer vertrokken.

Een dag later. Het is dik na middernacht als we door de brug kunnen om Whitby marina binnen te varen. Aan het wachtponton voor de brug ben ik onder de doghouse in slaap gesukkeld, de marifoon wekt me. Bijna op de tast sluipen we de marina in. Wat is het moeilijk om een plek te vinden in het donker. Maar kijk, het eind van het ponton, bakboord is nog vrij. Zo stil als we kunnen manoeuvreren we ons op onze plaats. He, is dat niet de Fidelia naast ons? Wat een toeval. We slapen uit en als we opstaan is Fidelia verlaten.

Twee dagen later, we gaan van Whitby naar Lowestoft varen, 150 mijl ver. Pas om 1:30 pm gaat de brug open. In de voormiddag, in afwachting van ons vertrek, knip ik het haar van Las op het ponton. “Nice, really professionally done,” klinkt het lachend. Aha, er is toch beweging op de Fidelia. Ze gaan ook naar Lowestoft. Ook 150 mijl ver. En aangezien we allebei afhankelijk zijn van de opening van de brug, vertrekken we op precies hetzelfde moment.

We varen met wel twaalf boten Whitby buiten. Tien doen er mee aan de weekend regatta, twee gaan er naar Lowestoft, Fidelia en wij.

Ze blijven ons voor. Een snedige boot is het wel. De wind maakt bokkesprongen, nu eens varen we halve wind, dan aan de wind, dan moeten we overstag omdat de wind veertig graden shift. Telkens worden die grillen voorspeld door Fidelia die haar zeilen bijstelt, haar koers verlegt. Wij volgen als een schaduw.

Na het avondeten wordt de wind stabieler, we varen halve wind. Hela, daar gaat hun gennaker de lucht in. Dat werkt op ons als een rode lap op een stier. We sleuren ook voor het eerst in vijf weken onze gennaker aan dek. Prachtig zeilen is het, net voor het donker wordt, nog ruim twee uur onder halfwinder. Tot de wind wegvalt en de kleurige ballonnen inzakken als mislukte soufflees.

Lowestoft, de Royal Norfolk & Suffolk marina. We lopen de monumentale club binnen en de eerste persoon die ons pad kruist is de schipster van de Fidelia. Bijna omhelst ze ons. “Wat een prachtige nachttocht was dat,” lacht ze “die bijna volle maan, en de zonsopgang, en zo geruststellend om het met twee te doen!” Ze tovert mooie foto’s van onze boot onder gennaker uit haar Ipad tevoorschijn en nodigt ons uit voor een glas aan boord.

We hebben alle vier niet veel geslapen, maar plots komt aan het kletsen geen eind. Biertje na biertje worden zeilverhalen uitgewisseld. Jo en Mal(colm). Pas na vijf jachthavens spreken we mekaar met de voornaam aan.

 

 

Hoppend naar het zuiden, Amble en Whitby

14 juli 2016

Het was fijn verblijven in Amble. We trokken er nog maar eens onze stapschoenen aan voor een mooie wandeldag. Langs de rivier Coquet naar het imposante kasteel van Warkworth, tussendoor een heerlijke lunch in het charmante dorpje en daarna naar het eindeloze strand van Alnmouth. Weer wat kilometertjes in de benen.

Over de marina van Amble niets dan lof. Netjes en goed georganiseerd. Wat dacht je van sanitair met een badkamertje met ligbad? En een Belgische vlag aan de vlaggenmast, als groet aan hun enige buitenlandse gast van het moment!

15 juli 2016

We laten nu ook Northumberland achter ons en zakken verder naar het zuiden, naar Whitby, Yorkshire, toch wel een tocht van 60 mijl. Onderweg worden we verrast door twee dolfijnen, maar ze blijven niet lang.

‘s Avonds kook ik op zee want het zal een late aankomst worden. Whitby kunnen we pas aanlopen vanaf halftij, zo rond 22:30. Zon en wolken zorgen voor een schitterende schouwspel.

Op een mijltje van de haveningang roep ik met de marifoon de haven op om te weten hoeveel water er staat. “2,50m bij de ingang,” wordt er vriendelijk meegedeeld. Met de deining die er staat is dat nipt, we hebben 2,00m diepgang. We proberen zo traag mogelijk de haven te naderen om maar wat water bij te hebben. En het lukt. Zoals wel vaker is de aanloop een beetje spannend. De zee was vrij woelig, maar daar was nog ruimte. Tussen de havenhoofden -waar de deining nog even doorgaat- voelt het ineens bangelijk smal. Maar naarmate we verder varen, wordt het water kalmer en terug dieper dan bij de ingang. Het is intussen al donker. Het bijna volle maantje staat te glimmen.

De brug halverwege de vaargeul, die toegang geeft tot de marina, gaat pas open om kwart over middernacht. Tot dan dommelen we aan het wachtponton en sluipen daarna haast op de tast de marina in.

16 juli 2016

Whitby is een fenomeen. Veel anders kan ik het niet zeggen. Denk fish and chips, maar dan echt véél fish and chips. Dikke meeuwen en dikke toeristen. Roodverbrand. Lunaparken, soft ice, en véél tattoos. En niet te vergeten: overal piraten. Druk druk druk.

Tot je de 199 trappen op loopt naar de top van de kliffen. De massa blijft beneden. Onderweg krijg je er nog formidabele uitzichten bij, op de marina aan de ene kant en op de haveningang aan de andere kant.

Het wordt steeds stiller, het uitzicht almaar mooier. Boven op de kliffen staat een kerk. De St Mary’s Church is een bizar bouwsel, organisch gegroeid door de eeuwen heen. Binnen is het een doolhof van zitbanken in afgesloten kapellen en hokjes, waar naar verluidt 2.000 mensen zouden in passen. In het gras grafzerken als stille getuigen van een ver verleden.

En dan het massieve geraamte van de benedictijner abdij, ooit -meer dan 1.000 jaar geleden- een beroemd centrum van intellect en dichtkunst. Je zou er stil van worden. (Daar dacht het kirrende groepje Japanse toeristen met selfiestick anders over.)

Als je terug naar beneden loopt, over de brug over de havengeul kan je ook weer weg wandelen van de stroom toeristen, langs de kustlijn met zijn felgekleurde strandhuisjes, langs statige huizen en stille straten. James Cook op zijn sokkel denkt er het zijne van.

 

 

Blijven gaan, Miss Lindsay

“We waren nooit dichter bij een echtscheiding dan sinds we die boot kochten…” verzucht Kathleen. Pretoogjes en een glimlach verraden gelukkig een charmant gevoel voor overdrijving. Haast nog charmanter is haar smeuïge Schots accent. Ian kijkt haar liefdevol aan en haalt verontschuldigend zijn schouders op.

13 juli 2016

De havenmeester is al lang naar huis wanneer we tegen tienen Amble binnenlopen. In een brievenbus op het meldponton vinden we een envelop met brochure van Amble en omgeving, een magneetkaart voor poort en douche en een havenplan, met daarop de vrije ligplaatsen. In verschillende kleurtjes volgens de lengtes van de boten. Wow, hier is over nagedacht! Op de enige vrije plek, op de kop van een ponton, ligt al een jachtje. Als dat nu een beetje opschuift, kunnen wij er nog bij. Het Schotse stel heeft motorpech gehad, en toen viel ook nog de wind weg, ze hadden een dag vol stress achter de rug en leken een beetje van de kaart. Als zij hoort dat wij al vijf weken onderweg zijn en op terugweg van de Shetlands, staart ze me ongelovig aan. “How did you survive?” Ik moet er wat om lachen. Ze heeft zo veel vragen, zegt ze nog.

14 juli 2016

Die vragen vuurt ze nu af, bij een etentje bij ons aan boord. Puree met gestoofde prei, lenteuitjes en platte peterselie, een stukje zalm.

Hun verhaal. Niemand van familie of vrienden had iets met boten, zeilen of de zee. Maar zij waren er allebei op onverklaarbare wijze door gefascineerd. Waar ze ook met vakantie gingen, ze eindigden altijd bij de jachthaven, betoverd door die boten. Maar ook altijd met de gedachte dat het een onbereikbare wereld was. Toen hun kinderen op een dag de vleugels uitsloegen, wilden ze eindelijk iets voor zichzelf gaan doen. Zij leerde ‘french horn’ spelen, hij kocht een bootje. Dat bootje was zo klein dat ze apart moesten slapen en werd al gauw ingeruild voor een iets groter modelletje. Hun ervaring was beperkt tot wat meezeilen met anderen, zeillessen hadden ze niet genomen.

En nu zijn ze op vakantie, met die boot. Dag twee van drie weken. En het vlot moeizaam. Vooral zij kijkt tegen het hele zeilgedoe aan als tegen een metershoge golf.

“En toen ik jou daar zo vrolijk en ontspannen in een hagelwit t-shirt over het ponton zag lopen,” gaat ze verder op volmaakt dramatische wijze, “terwijl je al vijf weken onderweg bent, vraag ik mij af hoe je dat doet.” “You make it look so do-able…” Do-able. Dat klinkt leuk. Doenbaar dus?

Nu gebiedt de waarheid me te zeggen dat we tot hiertoe vooral gekleed liepen in thermisch ondergoed en dikke truien en dat het vandaag voor het eerst echt t-shirt-weer is. En dat dit exemplaar gewoon nieuw is, vlak voor vertrek gekocht. Dat het nog spierwit is, daar heb ik echt geen verdienste aan.

De vragen blijven komen, over navigatie, zeeziekte, zelfvertrouwen, eten en koken aan boord… Een derde fles wijn wordt ontkurkt. En dan haar meest prangende vraag, het hoofd een beetje schuin, bijna fluisterend: “Hoe houd je het vol…? Als koppel…?”

De vraag zweeft boven de tafel, blijft hangen. Stilte. Even nadenken.

Met geduld, denk ik. Zonder schreeuwen of verwijten. Met het nodige overleg, en een ongedwongen taakverdeling waar elk zich goed bij voelt. En met de geruststellende gedachte dat elke storm uiteindelijk wel gaat liggen. En het besef dat je nooit volleerd bent in het zeilen, en dat elk tochtje, hoe klein ook, altijd meer ervaring oplevert. En als je denkt op alles voorbereid te zijn, gebeurt dan toch dat ene, waar je niet op voorbereid was. Dus ja…

15 juli 2016

Dag drie van hun vakantie lijkt goed in te zetten. We zien ze flink opkruisen naar Blyth, wij varen door naar Whitby. Miss Lindsay vaart mooi, haar boeg doorklieft dapper de golven, het donkerblauwe water breekt in schuimend kristal. Kathleen en Ian wuiven naar ons. Door mijn telelens zie ik ze lachen.

 

 

Eyemouth – Amble, van Schotland naar Engeland

14 oktober 1881

De barometer stond bangelijk laag die ochtend, daar kon niets goeds van komen. Maar de zee was kalm, de lucht was schoon en de vissers van Eyemouth -zwaar onder druk door een moordende heffing- vertrokken toch. Er moest geld verdiend worden. En als één boot vertrok, dan gingen ze allemaal, zo ging dat. Amper een paar uur later brak de hel los. Een van de zwaarste stormen ooit sloeg toe. De vloot was niet ver genoeg van de kust om open water op te zoeken. Schepen kapseisden, of sloegen te pletter op de beruchte Hurkar Rocks. Die liggen zo dicht bij de kust dat toegesnelde familie en vrienden geliefden voor hun ogen zagen vergaan, hun geschreeuw konden horen.

189 vissers kwamen om, waarvan 129 van Eyemouth. Twee op drie van de mannelijke inwoners… Er waren vrouwen die zowel hun man als hun zonen verloren. Dit drama wordt het Eyemouth Disaster genoemd, de dag van de ramp Black Friday.

12 juli 2016

Wij hebben gelukkig de 46 mijl van Arbroath naar Eyemouth met rustig weer gezeild, de Firth of Forth voorbij. Bij St Abb’s Head zijn we dichter onder de steile kust gaan varen omdat het daar zo onnoemelijk mooi is. Op deze kaap –St Abb’s Head National Nature Reserve– nesten duizenden vogels, tot ver op zee hoor je hun gekrijs en ruik je de vogelpoep.

En dan Eyemouth aanlopen… Het is een beetje spannend omdat het, komend van op zee, lang duurt voor je de havengeul kan zien, ‘open vaart’ zoals dat heet. Bovendien is het een heel actieve vissershaven en kan het er druk zijn van in- en uitvarende vissersboten. Erg breed is de vaargeul ook al niet, en er is weinig plaats om af te meren. En dan zijn er die Hurkar Rocks nog. Even schrikken als we net voor de aanloop naar de havengeul een jachtje -een Belgisch bovendien- op haar kant zien liggen. Maar de reddingsdienst is er bij en het water komt op, ze gaan vanzelf weer drijven.

En als je dan lekker op je plekje ligt –motor uit en tijd voor een biertje- is het een fijne haven. Douches, toiletten, wasmachine, een heel vriendelijke havenmeester. Het stadje is gezellig en heeft alles wat je nodig hebt, bakker, supermarkt, bank en zelfs een shipchandler(tje).

13 juli 2016 Eyemouth – Amble

’s Morgens worden we met een staalblauwe hemel en zachte temperaturen verwend. We hebben de tintelfrisse koelheid van het Noorden nu echt wel achter ons gelaten.

Bij het buitenvaren is het moeilijk je voor te stellen dat zich hier 135 jaar geleden een ramp voltrok…

Goodbye Scotland, hello England. Bij Berwick-upon-Tweed varen we de grens over. Het zomerse weer van ’s morgens is omgeslagen. De lucht is dreigend, vol donkere wolken en nog donkerder regenbuien. Het is een boeiend schouwspel en gelukkig vallen de buien ver van ons of boven land uit. We varen Lindisfarne (Holy Island) en de Farne-eilanden voorbij.

Zes jaar geleden bezochten we deze prachtige plekken al, maar kiezen nu voor een haven waar we nog niet eerder waren, Amble, een goeie 40 mijl van Eyemouth.

 

Arbroath? Nee, volgens mij kunnen we daar niet binnen…

8 – 11 juli 2016

Al ruim 200 mijl geleden namen we afscheid van de Shetlands. Het eerste idee was om van Symbister op Whalsay naar Peterhead te varen, de haven die we ook op de heenreis aandeden. Maar de wind is ons goed gezind en we kunnen zuidelijker gaan varen. Erg veel havens zijn er niet op het stukje Schotse noordoostkust. We overlopen de mogelijkheden.

“Kijk naar dat plannetje, zo uitnodigend ziet dat er niet uit, laten we gewoon doorvaren tot Eyemouth. Ik ben moe, ik ga even bijslapen.” Als we dag en nacht varen hebben we een ongeveer-systeem. ‘s Nachts drie uur op –wacht houden dus- en drie uur af –slapen dus. Maar die zes uur slaap zijn te weinig om de rest van de dag door te komen én uitgerust te blijven. Volgens behoefte doen we dan elk nog eens een dutje tussendoor, dat noemen we bijslapen. Terwijl mijn schipper slaapt, bekijk ik het kaartje nog eens. En nu we iets dichter bij land zijn, kan ik met een vleugje internet, Arbroath googlen. Dat ziet er toch een heuse marina uit. Het magazine SailScotland –nog gekregen in Kirkwall, Orkney- geeft de doorslag. Arbroath staat er in vermeld als een volwaardige marina. Als mijn schipper wakker wordt, krijg ik hem zo ver om het te proberen.

Het was een mooie tocht, deze twee dagen en nachten op zee. In de eerste 24 uur legden we 141 mijl af, niet mis. En na de eerste nacht –voor het eerst op deze reis- bezoek van dolfijnen! Plots waren ze daar bij het krieken van de dag, we lieten ons ontbijt onaangeroerd. Zeker tien flinke acrobaten amuseerden zich wel een uur rond de boeg van de boot.

Arbroath pakt mij meteen in.

Een kleine marina waar je van half tij vloed tot half tij eb binnen kan en die dan afgesloten wordt tot het volgende hoogwater. Er blijft 2,5m water staan, terwijl havengeul en buitenhaven ondiep worden. Rondom de marina staan kleurige huisjes, er is een vismijn, een oud RNLI station –het enige in Schotland waar de boot nog van een trailerhelling het water in gaat-, wat restaurants en een merkwaardige toren.

De Signal Tower diende om contact te houden met de vuurtorenwachters van de Bell Rock Lichthouse, 11 mijl in zee. Elke morgen ging op de vuurtoren een koperen bal omhoog als teken dat alles in orde was. Bij wijze van antwoord ging ook in de Signal Tower een koperen bal omhoog. Gaf de vuurtoren geen signaal, dan was er iets loos en werd een boot naar de Bell Rock Lighthouse gestuurd. 11 mijl is wel ver denk ik dan. En hoe ging dat dan met mist en regen? Ze moeten wel heel goeie verrekijkers gehad hebben… Intussen is de vuurtoren al lang geautomatiseerd en is de toren een museum geworden.

Arbroath ligt in het graafschap Angus en is beroemd omwille van zijn smokies of gerookte schelvis. Rondom de haven zie je en ruik je overal de aromatische rook van de smoke houses. Het is niet zomaar gerookte vis, de Arbroath Smokies hebben in 2004  een nominatie gekregen als regionale specialiteit. Je hebt Arbroath niet geproefd als je geen smokie hebt gegeten. Behalve schelvis roken ze ook zalm, forel, mosselen. Je krijgt je zacht gerookte vissen mee in krantenpapier.

En dan zijn er nog de Seaton Cliffs. Indrukwekkende roodkleurige kliffen die verticaal uit zee oprijzen. Arbroath klinkt zo Schots –zeker als je de r laat rollen zoals ze hier doen- en het weer is ook Schots. Inktzwarte wolken, dreigende luchten, een flinke regenbui nu en dan. Maar het voelt wel al een stuk warmer aan dan 300 mijl noordelijker.

‘s Avonds eten we lekker in het Old Boatyard Restaurant en plannen onze tocht naar Eyemouth, onze laatste haven in Schotland…