Varen met Valentijn. Of niet?

Ik: ‘Ik voel me niet goed…’

Hij: ‘Hoezo?’

Ik: ‘Oh, nee, ik voel me écht niet goed! Ik denk dat ik moet…’ Ik spurt naar het toilet.

Als ik iets later terugkeer, leeg, trillend en slap, zit Las er ook wat verslagen bij, de wangen grijs.

Hij: ‘Ik voel me ook niet goed…’

We zijn thuis, een dag voor Valentijn en hebben net geluncht met soep. We hadden het niet echt geproefd, maar weten het nu wel zeker. Die soep was niet meer goed…

Het had een romantisch weekend moeten worden. Rood omcirkeld stond het in mijn agenda. Omcirkeld is niet het juiste woord. Omhart is beter. Een vet rood hart rond het Valentijnsweekend. Begrijp me niet verkeerd, we gaan normaal gezien niet mee in die opgeklopte hype van hugs en hartjes, maar begin november van vorig jaar was er dat ene nieuwsbericht dat me op een idee had gebracht. Een idee dat ik zou uitvoeren op zondag 14 februari 2021…

De man die toen in het nieuws kwam had een bijzondere wandeling gemaakt. Ooit had hij ontdekt dat een van zijn vele wandelingen de vorm van een figuur had gekregen, te zien in Strava, de sport app op zijn smartphone. Na die toevallige ontdekking ging hij doelbewust bepaalde figuren wandelen. Zijn in 70 km bijeen gewandelde ‘dank u wel‘ als eerbetoon aan de zorgsector haalde het nieuws.

Als je een ‘dank u wel’ kan wandelen, zou je dan geen ‘ik hou van je’ kunnen varen, dacht ik en haalde er de Navionics kaart op de Ipad bij. Omdat tekst algauw te ingewikkeld bleek, stippelde ik met 18 waypoints een mooie hartvormige route van 4 mijl uit voor de havengeul van Nieuwpoort. Fier als een gieter bewaarde ik de route onder de naam Love 2021. Met Valentijn zouden we die route gaan varen, zoveel was zeker.

En dan, zowat een week voor Valentijn, begint het te winteren. En niet zomaar een beetje. Een heuse koudegolf zorgt voor sneeuw en ijsdagen, dagen waarbij ook overdag de temperaturen onder het vriespunt blijven. Op het strand haakt sneeuw zich in het zand, op het ondiep water in de kelletjes, de plassen tussen de banken, vormt zich met halftij een flinterdun laagje zilt ijs waar zeewier en schelpen in vast komen te zitten, de branding bevriest, zanderige ijsschotsen schuiven ruisend over elkaar heen, helmgras verstijft. En ook de jachthaven vriest dicht. Althans, die hoek van de havenkom waar wij liggen, zowat op het verste punt van het stromende water in de Ijzermonding, waar ijs geen vat op heeft. Varen is geen optie… Daar gaat mijn hart.

Foto: Johan Tas (www.ossian.be)

Niet varen maar tóch het Valentijnsweekend aan boord doorbrengen wordt plan B. En toen was er de soep… En hier zitten we, allebei mottig, moe en met slappe benen.

Hij: ‘We kunnen ook thuisblijven, hee.’

Ik: ‘Nee, echt niet hoor. Nog liever mottig aan boord dan mottig thuis.’

Hij: ‘Ok, naar de boot dan!’

Het vriest stenen dik maar aan boord is het gezellig warm. We knappen zo snel op dat we ons ’s avonds toch aan een glaasje bubbels wagen. En ook wel genieten van een lichte maaltijd met een wijntje er bij.

De volgende ochtend kom ik mijn bed pas uit een uur nadat mijn schipper de verwarming heeft aangezet… Binnen is het knus, buiten is de wereld nog bevroren.

We voelen we ons weer kiplekker. ’s Middags trekken we de wandelschoenen aan. Al is de dooi op komst, het is nog ijzig koud door de schrale, ijzige oostenwind die er staat. We wandelen door het natuurgebied van de Ijzermonding, besluiten dan om het veer te nemen naar de overkant om zo langs de havengeul en de visserskaai terug te stappen.

En zo varen we dan tóch op Valentijn…

Van herfst tot Kerst…

31 december 2020

Aan het eind van het jaar kijk ik graag achterom. Ik kijk hoe dan ook graag achterom. Dwalen door foto’s, herinneringen ophalen, blogposts schrijven, het gaat altijd over dingen die voorbij zijn. Mijn schipper, eerder nuchter dan nostalgisch van aard, vindt achterom kijken maar niets. Hij leeft in het nu en kijkt vooruit.

Pat Panick blijft in het water deze winter. Dat besluit kwam er toen Covid-19 onze boot van november 2019 tot juni 2020 gegijzeld hield op de Breehorn werf in Friesland en we het de hele lente zonder boot moesten stellen. Vervolgens hadden we zoals zovelen niet de zomer die we gedroomd hadden. In plaats van twee maand naar de westkust van Schotland, werden het drie weken Normandië en een hapje Bretagne. Intussen zijn we, nog steeds met de hete adem van het akelige virus in onze nek, via de herfst in de winter én in 2021 gerold…

In de week voor Kerstmis wordt in Vlaanderen elk jaar de Warmste Week georganiseerd. Dit jaar geen geldinzameling voor een goed doel maar een bedank-week. In de slotuitzending op Kerstavond komt Martine Tanghe aan het woord, moeder aller nieuwsankers en net met pensioen na een carrière van 42 jaar. Met haar warme stem vertelt ze hoezeer ze onder de indruk was van de talloze dankbetuigingen bij haar recente afscheid van het tv-scherm.

Dankbaarheid, wat is dat mooi.

En nu, zo aan het eind van het jaar besef ik dat er twee manieren zijn om achterom te kijken. Je kan jezelf beklagen om wat je niét hebt kunnen doen, of je kan achteromkijken en dankbaar zijn om wat je wél hebt kunnen doen. En als ik terugblik op afgelopen herfst, door de tweede corona-golf ook een seizoen met opnieuw veel beperkingen, zie ik veel waar ik, ondanks alles, dankbaar om ben…

September 2020

Dankbaar voor dat zonnige zeilweekend naar Cadzand, met de fietsjes langs het Zwin naar Knokke en terug, en haiku’s onderweg.

Dankbaar ook voor die mooie oversteek naar Dover, de laatste keer naar de UK, vooraleer Brexit een feit is…

Oktober 2020

Dankbaar voor wondermooie herfstluchten. Met dat licht dat onze grijze Noordzee onverwachts die unieke groene kleur geeft. Dankbaar ook om net vóór een fikse regenbui afgemeerd te liggen in Zeebrugge. En de volgende dag met stralend weer terug te kunnen zeilen.

Dankbaar ook voor nog een zeiltochtje naar Blankenberge, dat er eind oktober verlaten bij ligt. Wanneer we er impulsief take-away willen bestellen bij de Oesterput schrik ik van de norse stem aan de andere kant van de lijn. Of we niet weten dat we een dag op voorhand hadden moeten bestellen? Maar o zo dankbaar als dezelfde stem, iets minder nors nu, verder gaat met: “Vooruit dan, kom maar halen, 18:00!”

November 2020

De bekleding van ons stuurwiel is aan vernieuwing toe. Spannend om een doe-het-zelf-setje te bestellen bij stuurwielleer.nl met enkel buis- en stuurwieldiameter en gewenste kleur als gegevens… Enkele dagen later komt het pakketje toe: een lap soepel leer met voorgeprikte gaatjes, tape, een naald en gewaxt garen. Ik ga aan de slag, maak kruisjessteken met twee garens, opletten bij het rijgen, steeds dezelfde steek onder en boven. Zuidwest, noordoost, noordwest, zuidoost en opnieuw. Wat ben ik dankbaar als 360° later het leder blijkt te passen als een handschoen…

December 2020

Het jaar loopt ten einde, en Covid-19 of niet, we maken het gezellig met kaarsjes, lichtjes en een kerstboom, ook aan boord. Om de wintertijd comfortabel door te komen droomt mijn schipper al langer van een tent voor over de kuip. Niemand kan dit mooier maken dan Toussein uit Brugge. Zij begrijpen niet alleen precies wat we willen, ze maken het bovendien mooier dan we hadden durven dromen. We doen het ons schip cadeau en maken er meteen dankbaar gebruik van, zowel met Kerst als met de jaarwissel.

Aan iedereen de allerbeste wensen voor 2021!

Laat er ons een jaar van dankbaarheid van maken…

Geen liefde op het eerste gezicht, Le Havre

Woensdag 22 juli 2020

Ik knijp mijn ogen stevig dicht. Niet alleen voor de shampoo die ik royaal door mijn haren wrijf, maar ook voor de staat van de douches van de marina van Le Havre. Smerig is het hier, ik heb er geen ander woord voor. Ik beslis om flink te zijn, beeld me een luxe-design-hotel-rain-shower in en troost me met de gedachte dat water dat uit een douchekop stroomt alleen maar schoon en helder kan zijn. Toch? Dan hoor ik -ogen nog steeds stevig dichtgeknepen- een doffe plof. De tas met mijn douchespullen is van het gammele rek af geschoven en op de natte, vieze vloer getuimeld. Met mijn kleren er bij. Witte slip, beige short liggen halvelings in een gore plas. Iets minder wit, iets minder beige… Ik gruw.

Sanitaire voorzieningen in marina’s, ze komen in soorten. Van bijzonder rudimentair tot verrassend luxueus. In de categorie rudimentair herinner ik me Out Skerries in de Shetlands, waar de douche niet meer dan een smal hokje was. Koude stenen vloer, houten bank, douchekop. Op de bank stonden naast elkaar een plastieken bak, de lokale bibliotheek, en een roestige collectebus. Niet helemaal duidelijk of die laatste nu voor een bijdrage was voor de douche of de bibliotheek… En in de categorie luxueus genoot ik ooit van een royaal bad in een glimmende badkamer in de Dart Marina Yacht Harbour in Dartmouth. Zen muziek kabbelde er zachtjes uit de luidsprekers. Daar ergens tussenin heb ik ook nog een charmante herinnering aan de damesdouches in de Royal Norfolk & Suffolk Yacht Club in Lowestoft. Behalve gordijntjes met frullen hadden ze er voor bezoekende zeilsters een wel heel schattig extraatje: douche-hoeden! Please help jezelf…

Hoe lang een zeilvakantie ook duurt, op een bepaald moment verandert elke héén in een terug en is er altijd dat beetje marge dat je wil. We moeten naar huis, wat gaan de dagen snel. St-Quay-Portrieux – St-Vaast-la-Hougue, een flinke tocht met een nacht op zee, een wiebelende ankernacht voor Ile Tatihou en de zeiltocht tegen wind naar Le Havre hebben ons moe gemaakt. Al heb ik zin om bij aankomst de boel de boel te laten, we beslissen om nog enkele laatste inspanningen te leveren, tanken, douchen, een hapje eten. Tanken, check. Douchen, ternauwernood overleefd. Nu nog eten. Het eerste het beste terrasje volstaat. We lijken bijna op straat te zitten, de plastieken tafel en stoelen zijn gammel maar… de mosselen met frietjes zijn ronduit lekker! Met een frisse pint spoel ik de niet zo verkwikkende douche-ervaring weg. En als we terug naar de boot wandelen kleurt de lucht plots zo veelbelovend mooi dat ik besluit Le Havre nog een kans te geven…

Donderdag 23 juli 2020

Goede nachtrust is een wondermiddel. Fris en nieuwsgierig gaan we op pad met onze fietsjes. Het lijkt wel of Le Havre de mislukte kennismaking van gisteren goed wil maken. Zonder plan doorkruisen we de rustige stad, die met haar pleinen, brede lanen en opvallend lage gebouwen een open indruk geeft. Niet te geloven dat Le Havre in 1944, tijdens WO II in twee dagen tot puin werd gebombardeerd. Architect Auguste Perret, ook wel de dichter van beton genoemd, hertekende de stad op een revolutionaire manier. De op het eerste zicht vrij identieke betonnen blokkendozen waarmee de stad in sneltempo werd heropgebouwd, zijn niet saai, wel integendeel. Door subtiele verschillen in grafische ornamenten, kleurvlakken en bescheiden smeedwerk ontstaat een delicaat ritme. Rust in een stad, boeiend.

Ook van de hand van Auguste Perret en uiteraard ook van beton is de Saint-Joseph kerk. Imposant van buiten, vertederend van binnen.

En dan, midden in het centrum, een witte vulkaan! Niemand minder dan de Braziliaanse architect Oscar Niemeyer ontwierp dit spectaculaire cultureel centrum.

We vallen van de ene artistieke verbazing in de andere. Doorheen de stad zijn in het kader van un été au Havre, tal van kunstzinnige installaties en creaties te zien. We voelen niet meteen de nood om ons te verdiepen in het hoe en waarom maar genieten van de speelse energie die er van uitgaat.

Nog meer kunst in het museum voor moderne kunst André Malraux. Vanwege Covid-19 is slechts een beperkt aantal bezoekers tegelijk toegelaten, wat van het transparante modernistische museum helemaal een oase van rust maakt. Van Eugène Boudin had ik nog nooit gehoord, maar zijn studies van zeezichten en wolkenluchten zijn prachtig.

In de namiddag fietsen we de andere richting uit, langs het keienstrand en dan helemaal omhoog tot bij de Jardins Suspendus. Verscholen in een oud fort zijn hier een plantentuin, een rozentuin en tal van serres ondergebracht. Ook hier hebben artistieke installaties een plekje gekregen.

Het is al bijna avond wanneer we op terugweg naar de boot nog een ommetje maken langs de vismarkt, le Marché au Poisson, die er op dit tijdstip van de dag verlaten bij ligt. We blijven in het artistieke thema want niet alleen het gebouw is bijzonder maar ook bijna elk kraampje is binnenin kleurrijk beschilderd.

Een eerste indruk is ook maar een eerste indruk, en alles verdient een tweede kans. Ondanks de ongelukkige kennismaking werd Le Havre voor mij dan toch dé ontdekking van deze zeilvakantie. Zo fijn dat je met je zeilboot niet alleen de natuurpracht van zee en baaitjes kan ontdekken maar ook een kunstzinnige stad als deze. We komen hier terug… Maar douchen, dat zullen we dan wel aan boord doen…

Hoe strak ook het plan, het vraagt altijd wat lef om te gáán..

Aan een zeiltocht begin je niet onvoorbereid. Je gaat na of zeilen en verstaging in orde zijn, je zorgt dat er diesel en water getankt zijn, dat de batterijen opgeladen zijn en dat er voldoende proviand aan boord is. Voor een meerdaagse tocht is de checklist iets uitgebreider dan wanneer je enkele uren op zee gaat om een frisse neus te halen zeg maar. En je maakt een zorgvuldige tochtplanning.

Ooit woonde ik een tot de verbeelding sprekende voordracht bij van poolreiziger Dixie Dansercour. Hij vertelde hoe hij en zijn reisgezel Alain Hubert zich voorbereid hadden op de onvoorstelbare tocht van 3 900 km over het ijs in Antarctica. Ze testten materiaal, sledes en powerkites, legden zichzelf loodzware trainingen op en werkten voor honderd potentiële problemen honderd mogelijke oplossingen uit. En toen, ze waren amper een dag onderweg, deed probleem honderdeneen zich voor… De details ben ik vergeten, maar de essentie niet. Probleem honderdeneen, datgene waar je niet aan hebt gedacht, datgene wat anders uitvalt dan voorzien, de onverwachte wending… Je hoeft echt geen poolreiziger te zijn om er tegenaan te lopen. Vraag het aan eender wie die een huis verbouwt, een feest organiseert, een zeiltocht plant… Loopt het niet volgens plan, dan is er veerkracht nodig. En flexibiliteit.

En net omwille van de onvoorspelbaarheid van probleem honderdeneen en misschien ook probleem honderdentwee vraagt het altijd wat lef om te gáán. Want elk plan, echt élk plan, kan tegenvallen. Dat ondervonden we afgelopen zomer.

Maandag 20 juli 2020.

We weten dat het van Saint-Quay-Portrieux zo’n 75 mijl naar Cap de la Hague is en dat de Alderney Race daar vandaag vanaf 06:00 pm van SW naar NE begint te stromen. Ideaal gezien ben je daar aan het begin van de meegaande stroom, zodat je er alle profijt van hebt tot nog een flink stuk er voorbij, en waardoor je ook de mogelijk hevige zeeën van halftij vermijdt. Om dat te halen zouden we al heel vroeg moeten vertrekken.

Maar er staat een snoeiharde NNE die in de loop van de dag gaat afnemen en we wachten tot het ergste voorbij is. Op de middag wordt Las ongeduldig, we vertrekken. Ik mopper een beetje, dit past niet in onze tochtplanning want nu ziet het er naar uit dat we precies op het foute moment aan de kaap zullen zijn. De wind gaat nog behoorlijk te keer en er heeft zich ook een flinke deining opgebouwd, het opkruisen is zwaar en traag. Trager dan voorzien in de tochtplanning.

09:00 pm – 9 uur op zee. 48 mijl zigzaggen heeft amper 27 mijl opgeleverd. 5,3 knopen door het water, amper 3 knopen over de grond. Om de sfeer erin te houden knutsel ik in mijn steil kombuis een hartig avondmaal in mekaar. De prachtige avondlucht belooft een mooie nacht op zee. Aan bakboord knippert de vuurtoren van het Plateau des Roches-Douvres, aan stuurboord die van Jument Rock op Jersey.

Dinsdag 21 juli 2020

03:00 am – 15 uur op zee. Jersey ligt nog steeds aan stuurboord. We kruisen motorzeilend, halen amper 1,9 knopen over de grond, het stroomt hier venijnig hard.. Ik neem er de Reeds terug bij. Hun vuistregel is tegenstroom vertrekken uit St Peter Port, Guernsey, om HW Dover +3. Om dan bij de Banc de la Schole, zo’n 13 mijl verder de stroom mee te pikken. Ik reken. Van waar we ons nu bevinden is het nog zo’n 17 mijl tot dat punt. Met ons ‘gemiddelde der gemiddelden’ zou dat moeten lukken. Maar met de snelheden die we nu halen ziet het er hopeloos uit.

06:00 am – 18 uur op zee. Sark aan bakboord, we lopen 4, 5, nee, 6 knopen! Heel langzaam kentert het tij, we zetten een inhaalmanoeuvre in…

08:00 am – 20 uur op zee. We lopen 8 knopen! Het enige wat me nog zorgen baart is dat het er naar uit ziet dat we precies met halftij bij het punt met de strafste stroom gaan uitkomen. We naderen springtij en 7, 8 knopen zijn daar mogelijk. De wind is intussen wel helemaal weggevallen maar stel dat er nog een flinke deining van gisteren staat? Die botst op de stroom?

09:00 am – 21 uur op zee. 12 knopen! We spoelen letterlijk om de kaap heen. Het bizarre water is vriendelijker dan het er uit ziet met zijn kolken en krullen.

De hoofdrol in onze tochtplanning werd zozeer opgeëist door het ronden van Cap de la Hague, dat een eindbestemming er niet in voorkwam… Cherbourg? Maar het is prachtig weer, we hebben allebei geen zin in die grote jachthaven en besluiten door te gaan tot Saint-Vaast-la-Hougue. Na de gulle portie stroom méé volgt opnieuw een taaie dosis stroom tegen, het is niet anders…

We komen bij valavond aan en omdat de toegangspoort naar de haven door het getij nog gesloten is, ankeren we net zoals een achttal andere boten. Wat ons zó bevalt dat, wanneer de poort opengaat en de hele vloot naar binnen vaart, wij rustig blijven liggen en de nacht voor anker doorbrengen…

Stond niet in de tochtplanning…

Saint-Quay-Portrieux, laatste stop in Bretagne

26 oktober 2020

Iemand op de radio zegt dat je een verhaal niet mag laten afkoelen, dat je het moet vertellen terwijl het nog warm is… En ik besef dat dit nu net is wat ik de afgelopen weken, maanden heb gedaan. Mijn verhalen laten afkoelen… Ze moeten intussen bijna beschimmeld zijn, zo veel tijd is er overheen gegaan. Is het de zwaarte van deze vreemde tijd, het verlammende van dat griezelige virus, het gebrek aan perspectief? Wachtend op ik weet niet wat zijn ze afgekoeld, bijna uitgedoofd. En wát als ik ze nu eens zachtjes weer nieuw leven inblaas, zoals je met een smeulend vuurtje doet? En je meeneem naar afgelopen zomer, naar Bretagne? Meer bepaald naar de plek en het moment waarop we niet alleen een schattig dametje maar ook een wel erg knappe man ontmoetten…

19 juli 2020

In een overvolle souvenirwinkel, het soort winkel waar mijn schipper een hekel aan heeft maar waar ik moeilijk aan kan weerstaan, komt ze me tegemoet. Met haar groene jurk, wit schortje en mutsje, rode paraplu, waait ze bijna van de stevige porseleinen beker waarop ze afgebeeld staat. Bretoense snuisterijen, Bretoense koekjes, Bretoense cider, Bretoense lepels, Bretoense koelkastmagneetjes, van alles veel en van veel nog meer. Ik neem de beker in mijn hand en denk aan geurige thee tijdens nachtelijke zeiltochten, dampende koffie bij het ochtendgloren…

We zijn in Saint-Quay-Portrieux, Bretagne. Aangekomen na een rustig zeiltochtje van amper 16 mijl vanuit het prachtige Île-de-Bréhat. Waar we behalve succesvol geankerd ook heel bekoorlijk gewandeld hebben. Als hopelijk in een niet zo verre toekomst Covid-19 iets van vroeger is geworden en je opnieuw vakantie plant, met of zonder boot, ga er dan eens heen, je zult het er prachtig vinden.

De marina van Saint-Quay-Portrieux zou ik kunnen omschrijven als een grote, perfect gerunde jachthaven met nette pontons en verzorgd sanitair.

Maar ik zal deze plek vooral onthouden als de jachthaven met het charmantste onthaal op deze vakantie tot dusver. Zonnebril noch mondmasker kunnen verhullen dat de jonge assistent-havenmeester die ons naar een ligplaats begeleidt een echte knapperd is. Disons qu’il est canon, quoi! Maar hij is niet alleen knap, hij is ook heel galant. We krijgen een ruim bemeten plek langszij een royaal ponton, waarvan deze Bretoense halfgod zelfs een klamp losschroeft en verplaatst zodat we optimaal kunnen afmeren. Aan de andere kant van deze steiger liggen een Grand Soleil 56 en een Pershing 65… We zijn onder de indruk. Hij overhandigt ons de codes voor het sanitair, een mapje met informatiefoldertjes en neemt ook nog eens uitgebreid de tijd om dat van de nodige uitleg te voorzien. Zijn charme naturelle -het moet van het frivole Ce n’est Rien van Julien Clerc geleden zijn dat ik nog zo’n sexy Frans hoorde-, doet zin krijgen in een dansje en maakt het niet eenvoudig om er de aandacht bij te houden.

Maar laat ons de kalmte bewaren en terugkeren naar Bécassine. Want zo heet dat Bretoense juffertje, dat in 1905 als eerste Franse vrouwelijke stripfiguurtje het levenslicht zag en hier in deze overvolle souvenirwinkel op een porseleinen beker prijkt. Sexy kun je haar niet noemen, eerder mignonne.

Het toeval wil dat onze boot, voor het onze boot was, B. Bommel heette. Vernoemd naar de Nederlandse stripfiguur Olivier B. Bommel. De eigenaar zal daar zijn motieven voor hebben, aangezien zijn huidig schip ook nu weer De Bommel heet. Er zijn er die voor minder een cirkel rond verklaren. Als bovendien nog blijkt dat het porselein met Bécassine niet in China maar hier in Bretagne wordt gemaakt, heb ik voldoende argumenten voor de aankoop van twee bekers. De frons van mijn schipper neem ik er bij, meningsverschillen als deze beschouw ik als verwaarloosbaar aan boord..

Want we doen ook nuttige inkopen. De terugtocht nadert en er moet proviand voorzien worden. Dat dit hier ook op zondag kan in een behoorlijk goed gesorteerde superette is een meevaller. Ten slotte sluiten we ons verblijf af met een prachtige wandeling langs de kust met zicht op de prachtige Baie de Saint-Brieuc.

’s Avonds buigen we ons over het weerbericht voor de komende dagen. Er wordt een stevige NNE voorspeld, precies waar we heen moeten. Ik kijk naar Bécassine en ineens doet ze me denken aan een oude mop die mijn moeder wel eens vertelde.

Een boerinnetje fietst met twee zware manden vol eieren naar de markt. Het is een heel eind, ze heeft de wind stevig op kop. Puffend en trappend bidt ze vurig tot Onze Lieve Heer, de hele weg lang. Of hij de wind toch maar kan laten draaien. In schuim en zweet komt ze aan op de markt. Ze verkoopt er de eitjes, koopt met de verdiende centen het nodige proviand en hijst enkele uren later de opnieuw zwaar geladen manden op haar fiets om de terugtocht aan te vatten. En zie, daar blijkt haar gebed verhoord! De wind is 180° gedraaid…

Misschien had ik dat schietgebedje niet mogen maken, twee weken geleden, in Dieppe, op onze heenreis, toen de wind aanhoudend tegenzat en ik heel wat over had voor wat wind uit het N, het E of iets er tussenin. Nu krijg ik waar ik om gevraagd heb… Maar onze grootste zorg is niet 90 mijl tegenwind varen tot bij voorbeeld Cherbourg maar wel de timing om de stroom mee te kunnen pakken bij de beruchte Cap de la Hague . Want één ding is zeker, je wil niét op het verkeerde moment in de Alderney Race verzeild raken!

Hoe dat afloopt vertel ik een volgende keer!

Ankerzweet en vertrekkerskoorts

Ankerzweet…

Donderdag 16 juli 2020 – voor anker op de rivier Jaudy

“Ben je zeker dat we niet te dicht liggen?”

Pourquoi pas, zo heet het bootje dat naast ons ligt, Waarom niet. Wacht eens even, niet naast ons, nu ineens achter ons. En het lijkt wel of het ineens veel dichter ligt dan daarnet.

“Maak je geen zorgen. Straks draait iedereen op de stroom en ziet het er heel anders uit…”

We liggen op de rivier Jaudy, ter hoogte van het dorpje La Roche Jaune, precies waar op de kaart een ankertje getekend staat. We hadden kunnen doorvaren tot Treguier, daar is een jachthaven. Maar we willen ankeren. Afgelopen winter investeerden we in een stevig anker, een Rocna van 33kg, en 75 meter ankerketting van 10mm dik. De ankerlier werd gereviseerd. We zouden dit alles deze zomer uitgebreid testen aan de Schotse westkust maar door corona ging dat feestje helaas niet door… Frankrijk is een dankbaar alternatief maar hier is hoegenaamd geen gebrek aan jachthavens met stevige pontons… Maar, pourquoi pas, laat ons dat ankergerei toch maar testen…

We hebben wel al meer geankerd maar met ankeren op pittig getijdewater zoals hier, met 5 tot 8 meter verval en strakke stromingen hebben we geen ervaring.

Ik neem drie peilingen, noteer ze in het logboek en zo lang het licht is neem ik ieder uur dezelfde peilingen. We blijven netjes op het snijpunt van de drie lijnen liggen, maar zetten toch een ankeralarm op de gps wanneer we gaan slapen. Ondanks de gin-tonic van het aperitief schrikken we wakker bij iedere piep wegens nét buiten de cirkel van 30 m… Het doet me denken aan die foltertechnieken waarbij beulen gevangenen wakker houden, gewoon om ze te kraken. Gekraakt zijn we als we bij het krieken van de dag vaststellen dat we precies nog daar liggen waar we 12 uur eerder ons anker dropten…

Vrijdag 17 juli 2020 – voor anker bij Île-de-Bréhat

“Wow, wat was dát?”

“Geen idee.”

Al staat er meer wind dan ons lief is, de boot ligt als een huis. Maar er is dat geluid! Het klinkt alsof de schakels van de ankerketting tot leven komen, over elkaar heen schuiven, of ten minste over iéts heen schuiven. Op de ketting zit een duivelsklauw, een haak met een eind touw er aan. De haak klik je in een schakel van de ankerketting, de lijn beleg je op een klamp op dek. Als je dan een beetje ankerketting viert, haal je de kracht van de ankerlier weg. Het naargeestige geluid kan dus niet daar vandaan komen. Maar…

“Wow, luister nu, wéér dat rare geluid!”

In een aluminium boot klinken dingen anders. Ik herinner me hoe we, bij onze eerste nacht aan boord, schrokken van het klotsende water tegen de romp. Hélemaal anders dan tegen polyester. Metalig, galmend. Je went er aan. Maar dít geluid…, dit geluid is vreemd.

Onze tweede nacht op anker.

We liggen niet meer op het plekje waar we zowat halfweg de middag ons anker lieten zakken hier bij Île-de-Bréhat. Toen was het bijna hoogwater geweest. We hadden gerekend, geteld en geoordeeld dat we er bij laag water ook goed zouden liggen. Maar lichte twijfel knaagt, irriteert, als een steentje in een schoen. En we blijven de hele middag aan boord, de slapeloze nacht eist zijn tol.

Maar als het bijna laagwater is, én ook bijna donker, liggen de rotsen naar ons gevoel te dichtbij. En als je twijfelt moet je weg, besluiten we unaniem. Onze tweede keuze is een betere, we liggen verder af van de andere boten rondom, en een bemoedigend stuk verder van de rotsen. Het ankeralarm laten we wijselijk voor wat het is. Maar nu is er dus dat rare geluid.

“En als we nu eens in de achterkajuit gaan slapen?”

Zondag 18 juli 2020 – voor anker bij Île-de-Bréhat

Zonder ankeralarm en in de achterkajuit slapen we als rozen. Bij het ontbijt bekijk ik op de Ipad het kluwen dat we afgelegd hebben tijdens de nacht en trek een lijntje tussen de twee uiterste punten. Dat bedraagt zo’n 150 ft, ongeveer 45 meter. Als ons anker in het midden daarvan ligt, zijn we zo’n 22 meter heen en weer gedreven. Minder dan twee maal onze bootlengte, gezien wind en stroming volstrekt normaal. We liggen hier goed, een gelukzalig gevoel van vrijheid krijgt de bovenhand. Rondom ons 360° Bretoens landschap van zee en rotsen, geen stootwillen, geen meertouwen, enkel die ‘spijker’ waar we achter hangen…

Vertrekkerskoorts…

Twee soorten zijn er. De eerste komt het vaakst voor. Het is de twijfel om te vertrekken, de aarzeling, de zin om het uit te stellen. Om tal van redenen. Omdat het te hard waait, omdat de stroom tegen zit, omdat er bij terugkeer misschien quarantaine dreigt wegens corona, omdat omdat omdat… De kleinste klus wordt verdedigd als ultieme reden om niet te vertrekken. Maar er is ook die andere soort vertrekkerskoorts. Eigenlijk gewoon het tegenovergestelde. Mijn schipper heeft er wel vaker last van. Hij wil altijd vertrekken, altijd verder, altijd varen. Rusteloos, gejaagd. En in zo’n vlaag van vertrekkerskoorts opperde hij gisterenavond om deze ochtend verder oost te varen. Zonder voet aan wal te zetten op Île-de-Bréhat? Zachtjes ga ik op de rem staan. Want wie wil nu wegvaren van een eiland als dit zonder het gezien te hebben… En dat ons anker houdt zijn we nu wel zeker. En ik waag mijn kans.

“We gaan toch nog het eiland bezoeken, hee…”, opper ik voorzichtig bij het ontbijt. En toon de Ipad en ons kleine kluwen. “Túúrlijk!” lacht mijn schipper en even later zitten we in de bijboot op weg naar Île-de-Bréhat…

Voor wie nog twijfelt, over ankeren kan je je te pletter lezen op het internet:

ankertips van een wereldzeiler

hoe veilig ankeren

ankeren, zo doe je dat correct en veilig

leven achter anker

anchor like a pro

Geen Perros-Guirec, geen roze rotsen. Maar Trébeurden…

Trébeurden. Zeg dat eens luidop. Trébeurden. Die eu. Eu. Klinkt dat niet een beetje treurig? De eu van treurig. De eu van Trébeurden…

En ik wou zo graag roze rotsen. De roze rotsen van de Côte de Granit Rose. Ooh.. En Perros-Guirec. Maar ik moet het doen met Trébeurden. En die eu…

Dinsdag 14 juli 2020 – Quatorze Juillet, fête nationale!

Onder een grijzige motregen vertrekken we uit Roscoff.

Volgens zeilvriend Alain is Perros-Guirec te verkiezen boven Trébeurden. Maar helaas, hier in Bretagne beslist het getij. En op dit moment is het doodtij, wat betekent dat het verschil tussen hoog en laag water het kleinst is. Dat wordt uitgedrukt met een getal, de coëfficiënt. Als die te laag is kan je de haven van Perros-Guirec niet in of uit. En dit gedurende vier dagen.

Trébeurden kan wél maar ook hier heeft het getij het voor het zeggen. De havenkom, waar altijd voldoende water in blijft staan, is afgesloten van de zee met een muur en een poort. Die poort wordt gevormd door twee palen, een groene en rode, met daartussen een flap. Bij hoog water zie je enkel de groene en rode palen, bij laag water komt de muur tevoorschijn. Van twee uur vóór tot twee uur na HW kan je met een diepgang als de onze binnen.

Omdat het ons hier volstrekt onbekend is, bel ik een uur voor aankomst de haven op, het is iets voor de middag. Geen antwoord. Ik probeer even later nog eens. Geen antwoord. Zou de nationale feestdag er voor iets tussen zitten? Kort voor aankomst roep ik met de marifoon op CH09 de haven op. Geen antwoord. Dus zoeken we het zelf maar uit. Op de Navionics kaart op de Ipad staan de eerste twee pontons als bezoekerspontons aangeduid. Als we een plekje op het tweede ponton gekozen hebben, zijn we nog maar net afgemeerd of er komt een stuurse man aangelopen die zegt dat we daar niet mogen liggen en dat enkel het eerste ponton voor bezoekers is.

We verkassen naar het andere ponton. Al liggen er tal van boten, het oogt er verlaten, niemand komt aangelopen om een lijntje aan te nemen. Nochtans staat er op de boot naast ons een luik open en hoor ik de radio spelen. Op een andere boot zie ik even een hoofd uit de kajuit piepen om vervolgens weer even snel weg te duiken. En op nog een boot is een man onverstoorbaar aan het klussen en kijkt zelfs niet op als we afmeren. Ook de havenmeester is nergens te bekennen. Vreemd.

Maar in plaats van de eu van kleurloos en treurig gaan we voor de eu van opbeuren, plooien de fietsjes open en gaan op stap. Ondanks het sombere weer is de kustlijn met afwisselend rotspartijen en strandjes heel erg mooi. We maken een ommetje langs een mooi stuk natuur, het zoetwatermoeras Marais du Quellen, dat net achter het strand van Goas Treiz ligt.

Nog een stukje verderop, bij het strand van Toëno, ontdekken we een houten gebouwtje waar oesters en fruits de mer worden verkocht, l’Atelier de l’huitre.

Gewapend met een flinke levende krab en nog wat meer lekkers fietsen we terug. Wat is het stil in Trébeurden. Ik had festiviteiten verwacht vandaag, en vuurwerk. Vieren ze le Quatorze Juillet hier niet? Misschien wegens het corona-virus? Of is het toch Breton d’abord en dan pas Français? Maar niet getreurd, met het lekkers uit Toëno houden wij een klein feestje aan boord.

15 juli 2020

Kunnen we niet met de boot naar de roze rotsen bij Perros-Guirec, dan nemen we maar een taxi. Bij het strand van Trestraou starten we de prachtige wandeling langs de GR34, ook wel de Sentier des Douaniers genoemd. Is dit maar een hapje uit die in totaal 2.000km lange route, het is wel een van de hoogtepunten van de hele GR34, langs vreemde rozig-granieten rotsformaties. En altijd zicht op zee..

Het is al ruim middag als we aankomen bij Mean Ruz, de vuurtoren van Ploumanac’h. Van daar lopen we door tot de haven en lunchen er met een galette complète. Dit is een hartige Bretoense pannenkoek van boekweitmeel, farine de sarrasin, met kaas, hesp en een ei. Simpel, stevig, lekker!

Daarna stappen we van Ploumanac’h tot Trégastel waarbij we een heel stuk van de baai van Sainte-Anne kunnen afsteken wegens laag water. Een prachtige wandeling! Met de bus keren we terug naar Trébeurden. We doen nog wat boodschappen want de komende dagen willen we graag gaan ankeren… Of dat gaat lukken, lees je gauw..

Felle, Bretoense meiden. Île-de-Batz, Roscoff.

Île-de-Batz, ergens in de herfst van 1805.

Bleke mist hangt boven het eiland, het is vroeg in de ochtend.  Enkele Britse schepen naderen traag maar zeker het strand. Iedereen weet het. Weerloos zijn de vrouwen op Île-de-Batz wanneer hun mannen voor wéken of gaan vissen of ten oorlog zijn.

En dan priemt plots, zoals wel vaker op een herfstige dag, de zon door de ochtendmist. De zeelui schrikken zich een hoedje. In het verblindende tegenlicht ontwaren ze, op regelmatige afstand van elkaar, silhouetten van soldaten, bajonet in de aanslag. Daar hadden ze niet op gerekend, ze wenden de stevens en zeilen weg.

Opgelucht halen de vrouwen adem. Hun plannetje is gelukt! Enkel met hun coiffes of Bretoense mutsen en hun barattes of botertonnen hebben ze de Engelse kapers verschalkt!

Waar of niet, ik vind het een leuker verhaal dan het andere, veel bekendere van St-Pol-Aurélien die een slang-achtige draak verslaat en het eiland Enez Vaz of Île-de-Batz redt. We zijn hier in het knusse museum van de 44m ofwel 198 treden hoge vuurtoren op Île-de-Batz… We zijn in Bretagne!

Op dit juweeltje van een eiland zijn we gekomen met de overzet vanuit Roscoff.

En in Roscoff, daar zijn we zeilend gekomen vanuit Fécamp. En het mag gezegd, dat is een eind, bijna 200 mijl….

fullsizeoutput_8235

Dat was niet meteen het plan. Of beter gezegd, bij zonsopgang, bij het buitenvaren van Fécamp was er niet eens een plan.

We gingen gewoon érgens naar toe, het was zelfs voor ons nog een verrassing waar dat was…

Begrijp me niet verkeerd. Het is niet omdat er geen plan was, dat er geen opties waren. We hadden naar Cherbourg kunnen gaan. Of om Cap de la Hague heen en dan een poging wagen om te gaan overnachten in Alderney. Ik zeg ‘poging’ omdat we vernomen hadden dat de Channel Islands de versoepeling van de corona-maatregelen voor de UK niet volgden en vakantie houdende pleziervaarders er geweerd werden. Er was ten slotte ook nog de optie om, als het niet zou lukken om de stroom mee te pakken rond de kaap, gedurende de tegenstroom te gaan ankeren in een kleine baai vóór de kaap.

Maar we gingen goed, zelfs erg goed en het zag er in de loop van de middag naar uit dat onze niet getimede timing wel eens kon meevallen.  En zo kwam het dat we ons met de stroom mee om Cap de la Hague heen in de Race van Alderney lieten spoelen. Daar is het dan niet meer met kiezen, je zit in een sneltrein van water en kan alleen maar vooruit.

Al gauw werd duidelijk dat ankeren of een boei pakken in Alderney niét tot de opties behoorde. Over de marifoon op CH20 hoorden we onafgebroken waarschuwen dat de Channel Islands, de eilanden van the Bailiwick, absoluut niet toegankelijk waren. Alderney, Sark, Herm, Guernsey, Jersey, op slot. We hoorden hoe zeiljachtjes die iets te dicht naderden, opgeroepen werden om te polsen naar hun bedoelingen.

En zo komt het dat we gewoon doorvaren, de heerlijk zoete zomernacht in. De wind zakt weg, maar niet getreurd, traag motorzeilend malen we mijl na mijl. Tot in Roscoff…

Hier rond flanerend als echte toeristen komen we wel meer felle Bretoense meiden tegen. Er is de drukdoende dame die ons een flinke Far Breton serveert, halfweg de middag op Île-de-Batz, de dame van leeftijd die met kleurrijke schilderijen exposeert in l’Abri du Canot de sauvetage in het centrum van Roscoff, en ten slotte de flamboyante Myriam van de oester-en zeevruchtenbar Le Surcouf die haar zelfgemaakte vruchtenrum als toetje op de dessertkaart zet…

Na zo’n glaasje lijkt een tocht van 200 mijl een eitje…

 

Niet vers, wél lekker!

Donderdag 9 juli 2020

We zijn welgeteld vier dagen weg. Er is eten voor nog minstens een week aan boord. Maar na de flinke wandeldag in Etretat, terug fietsend naar de jachthaven vraagt de ene helft van de bemanning aan de andere wat er op het avondmenu staat…

Schipper: ‘Wat eten we vanavond?’

Ik: ‘Vanavond? Hmm, niet te veel, toch? We hébben net gegeten?’

Schipper: ‘Gegeten? Beetje oesters en mosselen, jaaaa…’

Ik: ‘Hee, kijk, daar is een viswinkel die nog open is!’

Schipper: ‘Oh, maar ze hebben daar geen verse vis, dat wordt niks.’

Ik: ‘Ik loop toch even naar binnen!’

Ik haak de elastiekjes van mijn mondmasker achter de oren en loop de winkel in. Inderdaad, hier bij de Pêcheurs d’Islande vind je geen verse vis. Alles wat hier te koop is, is bereid of geconserveerd. Gerookt, gezouten, opgelegd in olie of azijn, in blikjes of bokalen. Ik aarzel en net als ik van plan ben om het er toch maar bij te laten, vraagt de jonge vrouw achter de kassa of ze me ergens mee kan helpen. Ik haal mijn schouders op en leg uit dat ik dacht een viswinkel aan te treffen met verse vis. Ze lacht en bevestigt dat ze inderdaad enkel bereide visproducten verkoopt. ‘Maar het zijn heerlijke producten, kijk gerust eens rond,’ moedigt ze me aan. ‘Met vakantie?,’ informeert ze. Ik vertel dat we op zeilvakantie zijn. ‘Wel nu, ideaal voor op de boot, toch?’, glimlacht ze van achter haar mondmasker. ‘En waarom niet…’, denk ik, en bekijk de kleurige blikjes en verpakkingen. Kloeke stukken witte vis bedekt met glinsterende zoutkristallen intrigeren me. Gezouten vis, ik heb me er nog nooit aan gewaagd. Gepassioneerd legt de dame me uit hoe je de vis 48 uur zorgvuldig moet ontzouten vooraleer je ze gaat bereiden. Morue, kabeljauw. ‘Je zult verbaasd zijn hoe lekker die is! En als je die vis niet meteen bereidt, kan je die nog tot september bewaren,’ verzekert ze me. September? Niet te geloven. Ik besluit een en ander uit te proberen. Het worden uiteindelijk vier heerlijke geregjes waar we de komende dagen van genieten!

Allereerst proeven we twee stukjes zachtgerookte zalm met kruiden. Met beetgaar gekookte sperzieboontjes, kerstomaatjes en een vleugje vinaigrette tover je hiermee een onberispelijke lunch op tafel.

Ten tweede laat ik me verleiden door een knalgeel blikje sprotjes met citroen. Die noemen ze hier sprats. Ze zijn fluweelzacht en fris, en vergezeld van flinterdun gesneden venkel, blokjes courgette en wat sla vormen ze een elegant bordje.

De derde hap is de gemakkelijkste. Nogal wat mensen denken dat koken aan boord zo moeilijk is dat je je moet beperken tot blikken ravioli of plastieken potjes instant noodles, zo van de soort: heet-water-er-over-en-klaar. Die dingen krijg ik echt niet verkocht aan mijn lief. En in de mate van het mogelijke kook ik meestal zo vers mogelijk. Maar voor de momenten waarop het echt wat moeilijker gaat, heb ik wel graag een race-maaltijd achter de hand, zo van de soort: opwarmen-en-klaar. Maar het moet ook lekker zijn. En dat blijkt de bokaal brandade de morue à la fécampoise echt wel te zijn. Een brandade is een zachte puree van stokvis, op smaak gebracht met olijfolie of melk en soms knoflook. Een hartige kant-en-klare maaltijd. En mocht je toch in een heel culinaire mood zijn: op de website van de winkel vind je ook het recept!

En ten slotte de fameuze gezouten kabeljauw. Die komt dik in het zout en verpakt in papier aan boord. Ik snij de vis in twee stukken en zet die onder water in een plastic bewaardoos met goed sluitend deksel. Zo’n drie maal per dag en dit gedurende twee dagen vervang ik het water.

En dan aan de slag. In een pot stoof ik stukjes ui, prei en courgette aan in wat olijfolie. Kruiden met peper en wat tijm. Zout laat ik achterwege. Als de groenten bijna gaar zijn, gaan er een scheutje witte wijn en een flinke scheut room over. Daarop schik ik de in stukken gesneden en drooggedepte vis. Kort laten garen. Serveren met frisse blokjes vers gesneden tomaat en gekookte aardappelen.

Net zo heerlijk als vers!

Van kliffen, keien en opkruisen. Fécamp.

Heb je er al eens op gelet hoe ánders de branding klinkt aan een keienstrand? Krsht krsht krsht, rollen kiezels en keien.

Heel erg lang geleden oefende redenaar Demosthenes zijn redevoeringen aan een Grieks (keien?)strand. Als hij met zijn stem boven de krsht krsht krsht branding uit kwam, was het goed. Hier in Fécamp geen bulderende redevoeringen maar zomers gejoel van spelende kinderen. Gekrijs van zwevende meeuwen. En rollende keien, krsht krsht krsht. En licht. Véél licht. Maar we hebben het niet cadeau gekregen…

Donderdag 9 juli 2020

Bij vertrek uit Dieppe zit de wind onverbiddelijk tegen. Maar we willen west en het wordt dus opkruisen. Al snel wordt duidelijk dat ik -ondanks alle quarantaine-wandelingen van het voorjaar- de afgelopen maanden op kantoor geen zee-spieren heb gekweekt. Door ons bootloze voorjaar hebben we de aanloop naar een zeilvakantie gemist. Geen korte weekend- of dagtochtjes. En heb ik dus nog helemaal niet de zee-benen of zee-spieren zoals andere jaren. Bewegen op een bewegende boot, het is apart. Je gebruikt spieren die je anders niet gebruikt en je schrap zetten -zeker bij een aan-de-windse koers- mag op het eerste zicht niet zo inspannend lijken, het is best venijnig. Of worden we wat ouder?

En dan nog een dingetje. Als je alle stroom méé wil hebben van Dieppe naar Fécamp, dan zou je met hoogwater uit Dieppe moeten vertrekken. En verhip, het is hoogwater om 03:00 am… Niet meteen een aantrekkelijk tijdstip. Maar niet getreurd. Want als je dit doet, kom je met laagwater aan in Fécamp. En gezien enige verzanding in de havengeul daar, is ook dat weer niet aan te raden. We gaan voor een tussenoplossing, vertrekken om 06:00 am, hebben dan nog een rest stroom méé, ploeteren dan maar wat tegen wind en tegen stroom en zullen met opkomend tij Fécamp kunnen aanlopen.

De eerste slagen zijn bemoedigend, om dan met het kenteren van de stroom genadeloos om te slaan in zeer ontmoedigend ter plaatse trappelen. We stellen vast dat telkens we dichter bij de kust met zijn indrukwekkende kliffen komen, de stroming wat milder is. En we veranderen van tactiek. We gaan kortere rakken varen, dicht onder de kust. Er blijkt voldoende diepgang tot behoorlijk dicht tegen de kliffen. Het hardere werk aan de winchen wordt ruimschoots beloond. Want hoe dichter onder de kust, hoe mooier alles wordt. De zon, inmiddels volop van de partij, kleurt het water haast irreëel blauw. Of is het groen? Op het taaiste moment van de stroom zetten we de motor bij en komen zigzag motorzeilend verder.

Niet zo gek dat we onszelf bij aankomst belonen met een terrasje (met zicht op de boot!), een bord oesters en een glas wijn, toch?

Vrijdag 10 juli 2020

Vandaag geven we wat tegengewicht aan de stevige zeildag van gisteren en gaan op pad met onze fietsjes. We hijsen ze op de bus naar Etretat en fietsen en wandelen de dag rond. We kijken van op de kliffen naar de blauwgroene zee diep beneden. Het waait nog steeds uit het westen. Maar morgen, morgen komt er wat noord in die westenwind. En dan kunnen we verder, al hebben we nog niet beslist waarheen precies…

Pas om half vier lunchen we. Niet aan de drukke dijk waar krijsende meeuwen azen op ieder hapje, maar in een rustige zijstraat. Klein vierkant tafeltje, wit gesteven napje er op. Oesters, moules marinières, glaasje wijn en een koffietje na…. Vakantie!