Ankerzweet en vertrekkerskoorts

Ankerzweet…

Donderdag 16 juli 2020 – voor anker op de rivier Jaudy

“Ben je zeker dat we niet te dicht liggen?”

Pourquoi pas, zo heet het bootje dat naast ons ligt, Waarom niet. Wacht eens even, niet naast ons, nu ineens achter ons. En het lijkt wel of het ineens veel dichter ligt dan daarnet.

“Maak je geen zorgen. Straks draait iedereen op de stroom en ziet het er heel anders uit…”

We liggen op de rivier Jaudy, ter hoogte van het dorpje La Roche Jaune, precies waar op de kaart een ankertje getekend staat. We hadden kunnen doorvaren tot Treguier, daar is een jachthaven. Maar we willen ankeren. Afgelopen winter investeerden we in een stevig anker, een Rocna van 33kg, en 75 meter ankerketting van 10mm dik. De ankerlier werd gereviseerd. We zouden dit alles deze zomer uitgebreid testen aan de Schotse westkust maar door corona ging dat feestje helaas niet door… Frankrijk is een dankbaar alternatief maar hier is hoegenaamd geen gebrek aan jachthavens met stevige pontons… Maar, pourquoi pas, laat ons dat ankergerei toch maar testen…

We hebben wel al meer geankerd maar met ankeren op pittig getijdewater zoals hier, met 5 tot 8 meter verval en strakke stromingen hebben we geen ervaring.

Ik neem drie peilingen, noteer ze in het logboek en zo lang het licht is neem ik ieder uur dezelfde peilingen. We blijven netjes op het snijpunt van de drie lijnen liggen, maar zetten toch een ankeralarm op de gps wanneer we gaan slapen. Ondanks de gin-tonic van het aperitief schrikken we wakker bij iedere piep wegens nét buiten de cirkel van 30 m… Het doet me denken aan die foltertechnieken waarbij beulen gevangenen wakker houden, gewoon om ze te kraken. Gekraakt zijn we als we bij het krieken van de dag vaststellen dat we precies nog daar liggen waar we 12 uur eerder ons anker dropten…

Vrijdag 17 juli 2020 – voor anker bij Île-de-Bréhat

“Wow, wat was dát?”

“Geen idee.”

Al staat er meer wind dan ons lief is, de boot ligt als een huis. Maar er is dat geluid! Het klinkt alsof de schakels van de ankerketting tot leven komen, over elkaar heen schuiven, of ten minste over iéts heen schuiven. Op de ketting zit een duivelsklauw, een haak met een eind touw er aan. De haak klik je in een schakel van de ankerketting, de lijn beleg je op een klamp op dek. Als je dan een beetje ankerketting viert, haal je de kracht van de ankerlier weg. Het naargeestige geluid kan dus niet daar vandaan komen. Maar…

“Wow, luister nu, wéér dat rare geluid!”

In een aluminium boot klinken dingen anders. Ik herinner me hoe we, bij onze eerste nacht aan boord, schrokken van het klotsende water tegen de romp. Hélemaal anders dan tegen polyester. Metalig, galmend. Je went er aan. Maar dít geluid…, dit geluid is vreemd.

Onze tweede nacht op anker.

We liggen niet meer op het plekje waar we zowat halfweg de middag ons anker lieten zakken hier bij Île-de-Bréhat. Toen was het bijna hoogwater geweest. We hadden gerekend, geteld en geoordeeld dat we er bij laag water ook goed zouden liggen. Maar lichte twijfel knaagt, irriteert, als een steentje in een schoen. En we blijven de hele middag aan boord, de slapeloze nacht eist zijn tol.

Maar als het bijna laagwater is, én ook bijna donker, liggen de rotsen naar ons gevoel te dichtbij. En als je twijfelt moet je weg, besluiten we unaniem. Onze tweede keuze is een betere, we liggen verder af van de andere boten rondom, en een bemoedigend stuk verder van de rotsen. Het ankeralarm laten we wijselijk voor wat het is. Maar nu is er dus dat rare geluid.

“En als we nu eens in de achterkajuit gaan slapen?”

Zondag 18 juli 2020 – voor anker bij Île-de-Bréhat

Zonder ankeralarm en in de achterkajuit slapen we als rozen. Bij het ontbijt bekijk ik op de Ipad het kluwen dat we afgelegd hebben tijdens de nacht en trek een lijntje tussen de twee uiterste punten. Dat bedraagt zo’n 150 ft, ongeveer 45 meter. Als ons anker in het midden daarvan ligt, zijn we zo’n 22 meter heen en weer gedreven. Minder dan twee maal onze bootlengte, gezien wind en stroming volstrekt normaal. We liggen hier goed, een gelukzalig gevoel van vrijheid krijgt de bovenhand. Rondom ons 360° Bretoens landschap van zee en rotsen, geen stootwillen, geen meertouwen, enkel die ‘spijker’ waar we achter hangen…

Vertrekkerskoorts…

Twee soorten zijn er. De eerste komt het vaakst voor. Het is de twijfel om te vertrekken, de aarzeling, de zin om het uit te stellen. Om tal van redenen. Omdat het te hard waait, omdat de stroom tegen zit, omdat er bij terugkeer misschien quarantaine dreigt wegens corona, omdat omdat omdat… De kleinste klus wordt verdedigd als ultieme reden om niet te vertrekken. Maar er is ook die andere soort vertrekkerskoorts. Eigenlijk gewoon het tegenovergestelde. Mijn schipper heeft er wel vaker last van. Hij wil altijd vertrekken, altijd verder, altijd varen. Rusteloos, gejaagd. En in zo’n vlaag van vertrekkerskoorts opperde hij gisterenavond om deze ochtend verder oost te varen. Zonder voet aan wal te zetten op Île-de-Bréhat? Zachtjes ga ik op de rem staan. Want wie wil nu wegvaren van een eiland als dit zonder het gezien te hebben… En dat ons anker houdt zijn we nu wel zeker. En ik waag mijn kans.

“We gaan toch nog het eiland bezoeken, hee…”, opper ik voorzichtig bij het ontbijt. En toon de Ipad en ons kleine kluwen. “Túúrlijk!” lacht mijn schipper en even later zitten we in de bijboot op weg naar Île-de-Bréhat…

Voor wie nog twijfelt, over ankeren kan je je te pletter lezen op het internet:

ankertips van een wereldzeiler

hoe veilig ankeren

ankeren, zo doe je dat correct en veilig

leven achter anker

anchor like a pro

Geen Perros-Guirec, geen roze rotsen. Maar Trébeurden…

Trébeurden. Zeg dat eens luidop. Trébeurden. Die eu. Eu. Klinkt dat niet een beetje treurig? De eu van treurig. De eu van Trébeurden…

En ik wou zo graag roze rotsen. De roze rotsen van de Côte de Granit Rose. Ooh.. En Perros-Guirec. Maar ik moet het doen met Trébeurden. En die eu…

Dinsdag 14 juli 2020 – Quatorze Juillet, fête nationale!

Onder een grijzige motregen vertrekken we uit Roscoff.

Volgens zeilvriend Alain is Perros-Guirec te verkiezen boven Trébeurden. Maar helaas, hier in Bretagne beslist het getij. En op dit moment is het doodtij, wat betekent dat het verschil tussen hoog en laag water het kleinst is. Dat wordt uitgedrukt met een getal, de coëfficiënt. Als die te laag is kan je de haven van Perros-Guirec niet in of uit. En dit gedurende vier dagen.

Trébeurden kan wél maar ook hier heeft het getij het voor het zeggen. De havenkom, waar altijd voldoende water in blijft staan, is afgesloten van de zee met een muur en een poort. Die poort wordt gevormd door twee palen, een groene en rode, met daartussen een flap. Bij hoog water zie je enkel de groene en rode palen, bij laag water komt de muur tevoorschijn. Van twee uur vóór tot twee uur na HW kan je met een diepgang als de onze binnen.

Omdat het ons hier volstrekt onbekend is, bel ik een uur voor aankomst de haven op, het is iets voor de middag. Geen antwoord. Ik probeer even later nog eens. Geen antwoord. Zou de nationale feestdag er voor iets tussen zitten? Kort voor aankomst roep ik met de marifoon op CH09 de haven op. Geen antwoord. Dus zoeken we het zelf maar uit. Op de Navionics kaart op de Ipad staan de eerste twee pontons als bezoekerspontons aangeduid. Als we een plekje op het tweede ponton gekozen hebben, zijn we nog maar net afgemeerd of er komt een stuurse man aangelopen die zegt dat we daar niet mogen liggen en dat enkel het eerste ponton voor bezoekers is.

We verkassen naar het andere ponton. Al liggen er tal van boten, het oogt er verlaten, niemand komt aangelopen om een lijntje aan te nemen. Nochtans staat er op de boot naast ons een luik open en hoor ik de radio spelen. Op een andere boot zie ik even een hoofd uit de kajuit piepen om vervolgens weer even snel weg te duiken. En op nog een boot is een man onverstoorbaar aan het klussen en kijkt zelfs niet op als we afmeren. Ook de havenmeester is nergens te bekennen. Vreemd.

Maar in plaats van de eu van kleurloos en treurig gaan we voor de eu van opbeuren, plooien de fietsjes open en gaan op stap. Ondanks het sombere weer is de kustlijn met afwisselend rotspartijen en strandjes heel erg mooi. We maken een ommetje langs een mooi stuk natuur, het zoetwatermoeras Marais du Quellen, dat net achter het strand van Goas Treiz ligt.

Nog een stukje verderop, bij het strand van Toëno, ontdekken we een houten gebouwtje waar oesters en fruits de mer worden verkocht, l’Atelier de l’huitre.

Gewapend met een flinke levende krab en nog wat meer lekkers fietsen we terug. Wat is het stil in Trébeurden. Ik had festiviteiten verwacht vandaag, en vuurwerk. Vieren ze le Quatorze Juillet hier niet? Misschien wegens het corona-virus? Of is het toch Breton d’abord en dan pas Français? Maar niet getreurd, met het lekkers uit Toëno houden wij een klein feestje aan boord.

15 juli 2020

Kunnen we niet met de boot naar de roze rotsen bij Perros-Guirec, dan nemen we maar een taxi. Bij het strand van Trestraou starten we de prachtige wandeling langs de GR34, ook wel de Sentier des Douaniers genoemd. Is dit maar een hapje uit die in totaal 2.000km lange route, het is wel een van de hoogtepunten van de hele GR34, langs vreemde rozig-granieten rotsformaties. En altijd zicht op zee..

Het is al ruim middag als we aankomen bij Mean Ruz, de vuurtoren van Ploumanac’h. Van daar lopen we door tot de haven en lunchen er met een galette complète. Dit is een hartige Bretoense pannenkoek van boekweitmeel, farine de sarrasin, met kaas, hesp en een ei. Simpel, stevig, lekker!

Daarna stappen we van Ploumanac’h tot Trégastel waarbij we een heel stuk van de baai van Sainte-Anne kunnen afsteken wegens laag water. Een prachtige wandeling! Met de bus keren we terug naar Trébeurden. We doen nog wat boodschappen want de komende dagen willen we graag gaan ankeren… Of dat gaat lukken, lees je gauw..

Felle, Bretoense meiden. Île-de-Batz, Roscoff.

Île-de-Batz, ergens in de herfst van 1805.

Bleke mist hangt boven het eiland, het is vroeg in de ochtend.  Enkele Britse schepen naderen traag maar zeker het strand. Iedereen weet het. Weerloos zijn de vrouwen op Île-de-Batz wanneer hun mannen voor wéken of gaan vissen of ten oorlog zijn.

En dan priemt plots, zoals wel vaker op een herfstige dag, de zon door de ochtendmist. De zeelui schrikken zich een hoedje. In het verblindende tegenlicht ontwaren ze, op regelmatige afstand van elkaar, silhouetten van soldaten, bajonet in de aanslag. Daar hadden ze niet op gerekend, ze wenden de stevens en zeilen weg.

Opgelucht halen de vrouwen adem. Hun plannetje is gelukt! Enkel met hun coiffes of Bretoense mutsen en hun barattes of botertonnen hebben ze de Engelse kapers verschalkt!

Waar of niet, ik vind het een leuker verhaal dan het andere, veel bekendere van St-Pol-Aurélien die een slang-achtige draak verslaat en het eiland Enez Vaz of Île-de-Batz redt. We zijn hier in het knusse museum van de 44m ofwel 198 treden hoge vuurtoren op Île-de-Batz… We zijn in Bretagne!

Op dit juweeltje van een eiland zijn we gekomen met de overzet vanuit Roscoff.

En in Roscoff, daar zijn we zeilend gekomen vanuit Fécamp. En het mag gezegd, dat is een eind, bijna 200 mijl….

fullsizeoutput_8235

Dat was niet meteen het plan. Of beter gezegd, bij zonsopgang, bij het buitenvaren van Fécamp was er niet eens een plan.

We gingen gewoon érgens naar toe, het was zelfs voor ons nog een verrassing waar dat was…

Begrijp me niet verkeerd. Het is niet omdat er geen plan was, dat er geen opties waren. We hadden naar Cherbourg kunnen gaan. Of om Cap de la Hague heen en dan een poging wagen om te gaan overnachten in Alderney. Ik zeg ‘poging’ omdat we vernomen hadden dat de Channel Islands de versoepeling van de corona-maatregelen voor de UK niet volgden en vakantie houdende pleziervaarders er geweerd werden. Er was ten slotte ook nog de optie om, als het niet zou lukken om de stroom mee te pakken rond de kaap, gedurende de tegenstroom te gaan ankeren in een kleine baai vóór de kaap.

Maar we gingen goed, zelfs erg goed en het zag er in de loop van de middag naar uit dat onze niet getimede timing wel eens kon meevallen.  En zo kwam het dat we ons met de stroom mee om Cap de la Hague heen in de Race van Alderney lieten spoelen. Daar is het dan niet meer met kiezen, je zit in een sneltrein van water en kan alleen maar vooruit.

Al gauw werd duidelijk dat ankeren of een boei pakken in Alderney niét tot de opties behoorde. Over de marifoon op CH20 hoorden we onafgebroken waarschuwen dat de Channel Islands, de eilanden van the Bailiwick, absoluut niet toegankelijk waren. Alderney, Sark, Herm, Guernsey, Jersey, op slot. We hoorden hoe zeiljachtjes die iets te dicht naderden, opgeroepen werden om te polsen naar hun bedoelingen.

En zo komt het dat we gewoon doorvaren, de heerlijk zoete zomernacht in. De wind zakt weg, maar niet getreurd, traag motorzeilend malen we mijl na mijl. Tot in Roscoff…

Hier rond flanerend als echte toeristen komen we wel meer felle Bretoense meiden tegen. Er is de drukdoende dame die ons een flinke Far Breton serveert, halfweg de middag op Île-de-Batz, de dame van leeftijd die met kleurrijke schilderijen exposeert in l’Abri du Canot de sauvetage in het centrum van Roscoff, en ten slotte de flamboyante Myriam van de oester-en zeevruchtenbar Le Surcouf die haar zelfgemaakte vruchtenrum als toetje op de dessertkaart zet…

Na zo’n glaasje lijkt een tocht van 200 mijl een eitje…

 

Niet vers, wél lekker!

Donderdag 9 juli 2020

We zijn welgeteld vier dagen weg. Er is eten voor nog minstens een week aan boord. Maar na de flinke wandeldag in Etretat, terug fietsend naar de jachthaven vraagt de ene helft van de bemanning aan de andere wat er op het avondmenu staat…

Schipper: ‘Wat eten we vanavond?’

Ik: ‘Vanavond? Hmm, niet te veel, toch? We hébben net gegeten?’

Schipper: ‘Gegeten? Beetje oesters en mosselen, jaaaa…’

Ik: ‘Hee, kijk, daar is een viswinkel die nog open is!’

Schipper: ‘Oh, maar ze hebben daar geen verse vis, dat wordt niks.’

Ik: ‘Ik loop toch even naar binnen!’

Ik haak de elastiekjes van mijn mondmasker achter de oren en loop de winkel in. Inderdaad, hier bij de Pêcheurs d’Islande vind je geen verse vis. Alles wat hier te koop is, is bereid of geconserveerd. Gerookt, gezouten, opgelegd in olie of azijn, in blikjes of bokalen. Ik aarzel en net als ik van plan ben om het er toch maar bij te laten, vraagt de jonge vrouw achter de kassa of ze me ergens mee kan helpen. Ik haal mijn schouders op en leg uit dat ik dacht een viswinkel aan te treffen met verse vis. Ze lacht en bevestigt dat ze inderdaad enkel bereide visproducten verkoopt. ‘Maar het zijn heerlijke producten, kijk gerust eens rond,’ moedigt ze me aan. ‘Met vakantie?,’ informeert ze. Ik vertel dat we op zeilvakantie zijn. ‘Wel nu, ideaal voor op de boot, toch?’, glimlacht ze van achter haar mondmasker. ‘En waarom niet…’, denk ik, en bekijk de kleurige blikjes en verpakkingen. Kloeke stukken witte vis bedekt met glinsterende zoutkristallen intrigeren me. Gezouten vis, ik heb me er nog nooit aan gewaagd. Gepassioneerd legt de dame me uit hoe je de vis 48 uur zorgvuldig moet ontzouten vooraleer je ze gaat bereiden. Morue, kabeljauw. ‘Je zult verbaasd zijn hoe lekker die is! En als je die vis niet meteen bereidt, kan je die nog tot september bewaren,’ verzekert ze me. September? Niet te geloven. Ik besluit een en ander uit te proberen. Het worden uiteindelijk vier heerlijke geregjes waar we de komende dagen van genieten!

Allereerst proeven we twee stukjes zachtgerookte zalm met kruiden. Met beetgaar gekookte sperzieboontjes, kerstomaatjes en een vleugje vinaigrette tover je hiermee een onberispelijke lunch op tafel.

Ten tweede laat ik me verleiden door een knalgeel blikje sprotjes met citroen. Die noemen ze hier sprats. Ze zijn fluweelzacht en fris, en vergezeld van flinterdun gesneden venkel, blokjes courgette en wat sla vormen ze een elegant bordje.

De derde hap is de gemakkelijkste. Nogal wat mensen denken dat koken aan boord zo moeilijk is dat je je moet beperken tot blikken ravioli of plastieken potjes instant noodles, zo van de soort: heet-water-er-over-en-klaar. Die dingen krijg ik echt niet verkocht aan mijn lief. En in de mate van het mogelijke kook ik meestal zo vers mogelijk. Maar voor de momenten waarop het echt wat moeilijker gaat, heb ik wel graag een race-maaltijd achter de hand, zo van de soort: opwarmen-en-klaar. Maar het moet ook lekker zijn. En dat blijkt de bokaal brandade de morue à la fécampoise echt wel te zijn. Een brandade is een zachte puree van stokvis, op smaak gebracht met olijfolie of melk en soms knoflook. Een hartige kant-en-klare maaltijd. En mocht je toch in een heel culinaire mood zijn: op de website van de winkel vind je ook het recept!

En ten slotte de fameuze gezouten kabeljauw. Die komt dik in het zout en verpakt in papier aan boord. Ik snij de vis in twee stukken en zet die onder water in een plastic bewaardoos met goed sluitend deksel. Zo’n drie maal per dag en dit gedurende twee dagen vervang ik het water.

En dan aan de slag. In een pot stoof ik stukjes ui, prei en courgette aan in wat olijfolie. Kruiden met peper en wat tijm. Zout laat ik achterwege. Als de groenten bijna gaar zijn, gaan er een scheutje witte wijn en een flinke scheut room over. Daarop schik ik de in stukken gesneden en drooggedepte vis. Kort laten garen. Serveren met frisse blokjes vers gesneden tomaat en gekookte aardappelen.

Net zo heerlijk als vers!

Van kliffen, keien en opkruisen. Fécamp.

Heb je er al eens op gelet hoe ánders de branding klinkt aan een keienstrand? Krsht krsht krsht, rollen kiezels en keien.

Heel erg lang geleden oefende redenaar Demosthenes zijn redevoeringen aan een Grieks (keien?)strand. Als hij met zijn stem boven de krsht krsht krsht branding uit kwam, was het goed. Hier in Fécamp geen bulderende redevoeringen maar zomers gejoel van spelende kinderen. Gekrijs van zwevende meeuwen. En rollende keien, krsht krsht krsht. En licht. Véél licht. Maar we hebben het niet cadeau gekregen…

Donderdag 9 juli 2020

Bij vertrek uit Dieppe zit de wind onverbiddelijk tegen. Maar we willen west en het wordt dus opkruisen. Al snel wordt duidelijk dat ik -ondanks alle quarantaine-wandelingen van het voorjaar- de afgelopen maanden op kantoor geen zee-spieren heb gekweekt. Door ons bootloze voorjaar hebben we de aanloop naar een zeilvakantie gemist. Geen korte weekend- of dagtochtjes. En heb ik dus nog helemaal niet de zee-benen of zee-spieren zoals andere jaren. Bewegen op een bewegende boot, het is apart. Je gebruikt spieren die je anders niet gebruikt en je schrap zetten -zeker bij een aan-de-windse koers- mag op het eerste zicht niet zo inspannend lijken, het is best venijnig. Of worden we wat ouder?

En dan nog een dingetje. Als je alle stroom méé wil hebben van Dieppe naar Fécamp, dan zou je met hoogwater uit Dieppe moeten vertrekken. En verhip, het is hoogwater om 03:00 am… Niet meteen een aantrekkelijk tijdstip. Maar niet getreurd. Want als je dit doet, kom je met laagwater aan in Fécamp. En gezien enige verzanding in de havengeul daar, is ook dat weer niet aan te raden. We gaan voor een tussenoplossing, vertrekken om 06:00 am, hebben dan nog een rest stroom méé, ploeteren dan maar wat tegen wind en tegen stroom en zullen met opkomend tij Fécamp kunnen aanlopen.

De eerste slagen zijn bemoedigend, om dan met het kenteren van de stroom genadeloos om te slaan in zeer ontmoedigend ter plaatse trappelen. We stellen vast dat telkens we dichter bij de kust met zijn indrukwekkende kliffen komen, de stroming wat milder is. En we veranderen van tactiek. We gaan kortere rakken varen, dicht onder de kust. Er blijkt voldoende diepgang tot behoorlijk dicht tegen de kliffen. Het hardere werk aan de winchen wordt ruimschoots beloond. Want hoe dichter onder de kust, hoe mooier alles wordt. De zon, inmiddels volop van de partij, kleurt het water haast irreëel blauw. Of is het groen? Op het taaiste moment van de stroom zetten we de motor bij en komen zigzag motorzeilend verder.

Niet zo gek dat we onszelf bij aankomst belonen met een terrasje (met zicht op de boot!), een bord oesters en een glas wijn, toch?

Vrijdag 10 juli 2020

Vandaag geven we wat tegengewicht aan de stevige zeildag van gisteren en gaan op pad met onze fietsjes. We hijsen ze op de bus naar Etretat en fietsen en wandelen de dag rond. We kijken van op de kliffen naar de blauwgroene zee diep beneden. Het waait nog steeds uit het westen. Maar morgen, morgen komt er wat noord in die westenwind. En dan kunnen we verder, al hebben we nog niet beslist waarheen precies…

Pas om half vier lunchen we. Niet aan de drukke dijk waar krijsende meeuwen azen op ieder hapje, maar in een rustige zijstraat. Klein vierkant tafeltje, wit gesteven napje er op. Oesters, moules marinières, glaasje wijn en een koffietje na…. Vakantie!

Een schietgebedje en een Normandische pannenkoek. Dieppe.

Dinsdag 7 juli 2020 – van Calais naar Dieppe

***!!! (= een vloek!)

Net wanneer we de haven van Dieppe willen aanlopen, knippen de drie lichten op de semafoor onverbiddelijk op rood. Een oranje loodsboot sjeest de haven uit, vaart tot vlak bij ons en verzoekt vriendelijk om ter plekke te blijven wachten tot én een vrachtschip én de ferry de haven zijn uitgevaren. Eén ferry hebben ze in Dieppe, die vaart op en neer naar Newhaven in de UK. Eén ferry. En net als wij er aan komen, moet die ene ferry buiten…

Vanmorgen bij het vertrek uit Calais had er amper een zuchtje wind gestaan. De hele dag ging het wolkendek open en dicht, de wind trok aan tot een pittige 5 bft en het werd hoog aan de wind zeilen. Gaandeweg kwam daar ook nog een flinke deining bij. Maar het was mooi op zee. Hoe meer we Dieppe naderden, hoe blauwgroener het water werd. Met een combi van motoren, motorzeilen en zeilen kwamen we uiteindelijk in 11 uur 74 mijl zuidwest verder, een stevige tocht!

Maar nu liggen we hier en draaien rondjes en breien in drie kwartier een mooie spaghetti bij elkaar, zo vlak voor de haveningang… Maar niets blijft duren, ook drie rode lichten niet en onder een stralend zonnetje varen we de haven van Dieppe binnen. Twee galante jongens van de marina wijzen ons een plek en helpen ons keurig afmeren.

De twee flinke zeildagen eisen hun tol, niet veel na het avondeten -onze gloeiende wangen hebben intussen zo ongeveer het kleur van de Cabernet in ons glas- duiken we onze kooi in.

Woensdag 8 juli 2020 – een dagje Dieppe

Stabiel is wel het laatste wat je van het weer kan zeggen. Zo zomers als het gisteren was, zo herfstig lijkt het vandaag. Maar noch het druilerige weer noch de grijze motregen houden ons tegen, we gaan op stap. Het Office du Tourisme ligt vlak naast het havenkantoor, we halen er wat info en trotseren het miezerige weer…  Fleurige muurschilderingen (gemaakt door een zekere Sarah) geven de wandeling omhoog naar de Chapelle Notre-Dame-de-bon-Secours meteen wat kleur.

Bij de kapel prevelen we hoopvol een schietgebedje voor betere wind want de voorspellingen zijn niet zo best, aanhoudend westenwind… Baat het niet, het schaadt ook niet…

De wandeling brengt ons verder tot in Puys waar op 19 augustus 1942 operatie Jubilée plaats vond. Een soort van repetitie voor de invasie die moest komen, maar uitliep op een ramp met vele slachtoffers, vooral Canadezen. Nu buldert de zee er op het verlaten keienstrand, in de verte op zee hakt één zeilbootje dapper in tegen de wind.

We dwalen nog even langs het kasteel en door het stadscentrum maar zoeken dan toch de boot terug op, met zin in een warme kop koffie met wat lekkers…

Normandische pannenkoeken, gedroomd vieruurtje op een grijze dag

50gr bloem – 1 eitje – 150cl melk – boter – suiker – 1 appel

Giet de bloem in een mengkom, maak een kuiltje en roer daarin het eitje met de melk. Daarbij neem je telkens wat bloem mee van de rand van het kuiltje. Blijf roeren tot je een egaal glad deeg bekomt.

Snij de appel in vier stukken, haal het klokhuis weg en schil de partjes. Snij deze nu in schijfjes. Smelt een royale klont boter in een koekenpan en bak een vierde van de appels op een laag vuur. Strooi er wat suiker op, draai ze om en laat karameliseren.

Als ze goudbruin zijn, schep je er een pollepel deeg over. Laat het deeg stollen en keer de pannenkoek voorzichtig om.

Smakelijk!

Na zeven maand wachten op de boot, kunnen we ook wel zes uur wachten op het getij…

Maandag 6 juli 2020

Aan Cap Gris Nez kun je maar beter de stroom mee hebben. Nergens stroomt water zo hard als rond een kaap. Plannen om daar op het juiste moment te zijn is dus aangewezen, maar lang niet altijd zo eenvoudig. Maar laat me beginnen bij het begin.

Vorig jaar in het tweede weekend van november zeilden we onze boot naar de Breehorn werf in Woudsend, Friesland. Een lijst aanpassingen staan er op het programma. Een vuilwatertank, zonnepanelen op de vaste buiskap, een windgenerator, automatische windsturing, davits, herstelling windmeter, nieuw kompas en nog wat dingen… Halfweg de winter, ergens in februari, combineren we de winterontmoeting van de Breehornzeilers met een bezoek aan de werf. Niets laat op dat moment vermoeden dat we niet zoals gepland met het Paasweekend terug zullen zeilen naar onze thuishaven in Nieuwpoort, maar pas zeven maand later… Het Covid-19 virus beheerst het hele voorjaar. Eerst mag er helemaal niet gevaren worden, daarna mag het weer wél, maar blijven de grenzen nog gesloten. En blijft onze boot als het ware in Nederland gegijzeld. Pas in het derde weekend van juni kunnen we eindelijk terugkeren.

In november was de tocht van Nieuwpoort naar Friesland, zowat 180 mijl, een stevige maar mooie afsluiter van het zeilseizoen geweest. Met vriend Geert Verdonck als extra bemanningslid was het best haalbaar, ondanks de korte dagen en het frisse herfstweer. We hadden de zee nog in de benen, we sloten het zeilseizoen waardig af.

Zeven maand later is de terugkeer naar onze thuishaven onze eerste zeiltocht van 2020. De lente ligt al achter ons, dit weekend begint de zomer. Nog absoluut geen zee in de benen, maar met Tobias Verdonck, zoon ván, als extra bemanningslid is het best te doen. Wat een paar extra zeilhanden toch kunnen doen, mits ervaren zoals deze van de familie Verdonck. We vliegen het nieuwe zeilseizoen in met een tocht van ruim 36 uur.

Heel erg blij als we Nieuwpoort terug kunnen binnenlopen.

Voor 2020 hadden we een zeilvakantie van twee maand naar de westkust van Schotland gepland. Maar zoals zovelen moeten we dit bijstellen. Schotland houdt zijn grenzen nog dicht voor buitenlandse zeilers. We schuiven het plan door naar volgend jaar en houden het dit jaar bij drie weken vakantie, naar Frankrijk.

Maar ook dat blijkt niet zonder hindernissen. De wind zit tegen. En niet zo’n beetje.

Hopend op het sprankeltje noorderwind dat voorspeld was, vertrekken we toch maar.

Het eerste rak dat we zeilen brengt ons dichter naar Oostende dan naar Duinkerke, we kibbelen over de zeilvoering, winchen ons te pletter, kortom, een weinig bemoedigend begin. Moeizaam kruisen we ons eigenste stukje kust voorbij, trekken zigzaglijnen die ons maar langzaam vooruit helpen.

Zo langzaam dat het er al gauw naar uit ziet dat we de meegaande stroom aan Cap Gris Nez niet gaan halen. En dan is het opties overlopen. Ofwel gaan we door, wetende dat het een lange oncomfortabele nacht gaat worden, ofwel lopen we Duinkerke binnen, of Calais. We gaan met z’n tweeën unaniem voor de laatste optie.

Het is donker als we Calais binnenlopen, een inkomende ferry achterna, om vervolgens de rode lichten naar de arrière port te negeren, dit alles op vriendelijke instructie van Calais Port.

Nadat we een boei hebben opgepikt en alles vast en opgeborgen ligt, klinken we bij een gedeeld biertje op het begin van onze vakantie en gaan onder zeil.

Als we zeven maand hebben moeten wachten op onze boot kunnen we ook wel zes uur wachten op het getij. Graag zelfs!

Tien kilo boeken en zes kilo kaarten

“… We onderlijnen dat elke vorm van recreatievaart (zowel in groep als individueel) wordt verboden in de Belgische territoriale wateren van de Noordzee (tot 3 april 24h)..

Ter verduidelijking, ook het individueel beoefenen van brandingsporten is verboden in deze periode.”

FOD Mobiliteit en Vervoer | Natiënkaai 5, 8400 Oostende

Het coronavirus ontwricht onze levens. Door de strenge maatregelen om deze gezondheidscrisis het hoofd te kunnen bieden, hebben hulp- en ordediensten de handen vol. En wil men dat iedereen die er zijn boterham niet hoeft te verdienen wegblijft van op zee. Een zorg minder.

Ongeloof en verwarring. Hoe moet dat nu, onze boot staat op de Breehorn werf in Friesland, begin april staat een heen- en terug per auto gepland om de uitgevoerde werken te bekijken en in het paasweekend willen we de boot terug varen. Zullen de maatregelen tegen dan opgeheven zijn, of moet de gevreesde piek nog komen en staan er ons nog meer en strengere maatregelen te wachten?

Maar beseffend dat we een luxe probleem hebben in vergelijking met wat we vernemen uit kranten, radio, tv en internet, berusten we. Kunnen we half april (nog) niet varen, dan misschien een of meer weken later. Flexibiliteit en relativeringsvermogen maken deel uit van goed zeemanschap… Zoals eigenbelang ondergeschikt maken aan het algemeen belang van burgerzin getuigt.

Met plezier blijf ik dus thuis. En ga alvast in mijn hoofd op reis. Deze zomer willen we graag naar de westkust van Schotland. Een strakke reisplanning maken we nooit maar wat inlezen vind ik wel fijn. Ik grasduin in de blogs van wie ons voorging in dit uitgestrekte en veelbelovende vaargebied, ‘s/y Iskander’, s/y De Verleiding, en s/y Ossian en hop door de Polar steps van s/y Anna, ook een Breehorn 44. (Polarsteps is een leuke app die ik nog maar recent ontdekte. Stapsgewijs kan je er je (zeil- of andere) reis met het thuisfront delen in woord en beeld, eenvoudig en snel.)

En dan is er nog de karrenvracht aan boeken, vaargidsen en kaarten die we van Johan en Tru van de Ossian mogen lenen.

Die bestaat uit zowat elke beschikbare Imray pilot van Schotland, van de Farne Islands aan de oostkust over Cape Wrath tot de Firth of Clyde, als ook uit een dik pak Admirality zeekaarten. En al zijn deze laatste nogal gedateerd, ze vormen een gedroomde aanvulling op onze Navionics kaarten (iPad) en de Antares kaarten (laptop, OpenCPN) die Rob van s/y De Verleiding ons aanraadde. Heerlijk is het om nog eens de oude Admirality catalogus van mijn vader van onder het stof te kunnen halen om er alle kaarten in te markeren die we nu in bruikleen krijgen.

Verder zitten er nog een paar heerlijke lees- en kijkboeken bij. An Eye on the Hebrides  van Mairi Hedderwick geeft een fijn geïllustreerd beeld van die afgelegen eilandengroep.

En van Hamish Haswell-Smith zijn er An Island Odyssey en The Scottish Islands, a comprehensive guide to every Scottish Island, met uitleg over en prachtige waterverf illustraties van elk Schots eiland.

Elk. Schots. Eiland.

Dan zijn er nog de uitgaves Sail Scotland, Welcome Anchorages en a Skipper’s guide to the Scottish Canals en ten slotte een lichtjes vergeelde en beduimelde pocket, The Monarch of the Glen van Compton Mackenzie. Het boekje is een uitgave uit 1977, het verhaal dateert van 1941. Het zou een komisch verhaal zijn waarin de aparte trekjes van de Schotten in de verf worden gezet. Dit leg ik nog even opzij, als vakantielectuur…

Hoeveel ‘véél’ wel kan zijn heb ik nooit beter uitgedrukt gezien dan in een tot de verbeelding sprekende documentaire over de drugshandel in Colombia, waar zo veel geld om ging dat het gewogen werd in plaats van geteld…

En zo komt het dat ik met mijn trofee op de weegschaal ga staan. Tien kilo boeken en zes kilo kaarten…

Saint-Vaast-la-Hougue, herfstblaren en zomerwind..

10 december 2019

Zelfs de meeuwen gaan niet op zee… Ze hangen boven de stad, maken klagende geluiden. Klagende geluiden die vervolgens verzwolgen worden door een bulderende zee. Een ontketende zee. De winden hebben hun duivels ontbonden. Wat zeg ik, winden? Nee, nee, geen meervoud. Eén wind. Eén. Noordoost. Daar moeten we heen. En dat gaat dus niet…

Bovenstaande woorden schreef ik afgelopen zomer haastig neer. In juni, in Saint-Vaast-la-Hougue…

En nu, op amper enkele weken van de winter verwijderd, stel ik vast dat ik nooit verder raakte met het verhaal dat ik toen wou vertellen. En hoe herfstiger het wordt, hoe minder passend het lijkt om het er nog over te hebben. Tot toevallig een prachtig stukje muziek uit de radio komt aanwaaien. Autumn Leaves heet het en het komt uit een album met de naam Summerwind… En ik bedenk dat, als herfstblaren kunnen op een album getiteld zomerwind, een zomerherinnering ook moet kunnen in de herfst, toch? Op de tonen van deze dromerige muziek neem ik je mee naar dinsdag 25 juni, naar Saint-Vaast-la-Hougue.

Daar geraken was best spannend geweest. Alderney – Saint-Vaast-la-Houge, 48 mijl. We becijferen de stroming en oordelen dat het moet lukken. Er is weinig wind, we motorzeilen om de pas er in te houden. En dat moét, willen we St-Vaast-la-Hougue bereiken vóór de poort dichtgaat die de haven onherroepelijk afsluit bij laag water. En het moét, willen we beschutting vinden voor het voor de volgende dag aangekondigde stormweer. Zo lang we stroom mee hebben ziet het er goed uit. Ruim op tijd, zegt de gps. Maar als de stroming begint te slabakken ziet het er gaandeweg wat minder royaal op tijd uit. Zelfs met de motor een tandje bijgezet wordt het steeds krapper. We waren hier nooit eerder en een onbekende haven aanlopen blijft altijd uitkijken. Net iets minder gezellig met tijdsdruk daarbij. Opgelucht zijn we dan ook als we het halen. Minder dan een uur na onze aankomst gaat de poort dicht.

Opgelucht ook omdat we hier goed beschut liggen voor de storm die is voorspeld. Amper te geloven nu. Want windstil is het in deze verstilde vissershaven. We halen lekkers in de viswinkel en genieten bij een glas wijn van de lange zomeravond. De hemel is genereus met kleuren, het wateroppervlak strak als glas.

Op woensdag haalt de voorspelde noordooster gemeen uit. We berusten in ons verwaaide lot en verkennen de omgeving met onze fietsjes. ’s Avonds zien we op Windfinder dat de storm die er aanvankelijk één dag rood-paars gloeiend ingekleurd stond, zich nu uitbreidt naar de volgende dagen met aanhoudend 7-8 bft NE! Dat past niét in ons reisprogramma. Het is woensdag 26 juni, op zondag willen we in Nieuwpoort zijn, op maandag op kantoor… Als mijn schipper voorstelt om met het tweede hoogwater van donderdag te vertrekken weiger ik. Noem het muiterij, noem het wat je wil, maar voor mij is het resoluut nee. Bij het vallen van de avond in stormweer vertrekken, wetende dat de wind nog een etmaal kan aanhouden is voor mij geen optie. In plaats daarvan pas ik op donderdag ons reisprogramma aan door kaartjes te halen voor de grappige amfibie-boot die naar Île Tatihou vaart waar we een tweede dag in ons stormachtige lot berusten. 

Op vrijdag ten slotte varen we vroeg de haven uit, met 185 mijl voor de boeg. Het waait nog hard. En uiteraard -wat hadden we gedacht-, uit de verkeerde richting. Met trage zoute slagen kruisen we op, het in het weerbericht beloofde afzwakken en draaien van de wind laat op zich wachten…

Maar geen storm blijft duren en in de loop van de dag wordt het rustiger. De nacht strijkt de zee glad, gevolgd door een snikhete zomerse dag. Traag motor-zeilen we huiswaarts en op zondagmorgen om 05:00 lopen we Nieuwpoort binnen. We hebben 45 uur gevaren, de 185 mijl zijn er uiteindelijk 247 geworden…

Een zomerherinnering aan het eind van de herfst, niets beters om je aan te warmen, toch?

Nog twee verhalen te vertellen. Jersey.

We zijn al langer terug dan we weg geweest zijn. Drie weken vakantie in juni, wat ging dat snel. En omdat we toch behoorlijk veel wilden zien, was er tijd te kort voor fatsoenlijk bloggen. Met enige vertraging kwamen de eerste stukjes, en dan bleef het bij snelle notities, niet meer dan klad.. En nu besef ik dat ik nóg twee verhalen te vertellen heb.

Jersey…

Met 117 km2 en ruim 87.000 inwoners het grootste van de Kanaaleilanden. De meesten met wie we het hadden over onze reisplannen hadden op voorhand een waarschuwing klaar. ‘Jersey zul je waarschijnlijk niet zo mooi vinden als Guernsey.’ En mijn reisgids, die schrijft dat hoofdstad St.Helier een ‘niet bepaald uitnodigende uitstraling’ heeft… De woorden ‘waarschijnlijk’ en ‘niet bepaald’ zijn genoeg om tóch maar Jersey aan te lopen. Zo lang je het niet zelf gezien, geproefd of gevoeld hebt, weet je het simpelweg niet.

Onlangs leerden we Johan en Tru kennen die afgelopen zomer met hun snedige Rival Bowman, genaamd Ossian, zeven weken naar Noorwegen zeilden. Bij het uitwisselen van de reisverhalen was het bijzonder grappig hoe zij haar quotering voor dit zeilgebied illustreerde. ‘De eerste dagen gaf ik Noorwegen 15 op een schaal van 5′, zei ze vol overtuiging. ’15 op 5, jaaaa.’ Tot het begon te regenen. En regenen. En het niet ophield met regenen. Bij elke bui en elke graad Celsius zakte de euforie. ‘Maar’, zo verzekerde ze, ‘uiteindelijk bleef er wel nog 8 op 5 over!’ Lees deze blogpost om het te vatten…

Wat bepaalt hoe we een bestemming beoordelen? Onze perceptie, vaak niet meer dan het resultaat van een momentopname… De prachtigste baai kan triest worden onder kleurloze motregen, een saai eiland paradijselijk onder gouden strijklicht. Er zijn de kleine gebeurtenissen, de ontmoetingen, onze stemming. Al dan niet gelukte aanlegmanoeuvres. Het weer, de wind. We rijgen al deze toevallige toevalligheden aaneen tot hoogst individuele impressies… En dan vergeet ik de verwachtingen nog…

Terug naar Jersey dus. Ik verwacht weinig. Mijns inziens altijd de beste strategie. Bij het vertrek uit Lézardrieux kondigt zich met een glanzende zonsopgang een welgekomen zomerprik aan.

Na een bijzonder zonnige zeildag lopen we St. Helier aan. Waar we een ligplaats aan de kade verkiezen boven de drukke binnenhaven.

Onder een blauwe lucht slaan we de volgende ochtend vanuit St. Helier ‘linksaf’ -tip van zeilvriend Alain- met onze fietsjes, richting St. Aubin. Gewapend met een kaartje met een fietsroute. Waar we al even snel van afwijken. Want in mijn reisgids had ik gelezen over een ‘Ancient Fisherman’s Chapel’ uit de elfde eeuw en dat is voor mij voldoende voor een ommetje…. En laat daar in de buurt nog eens een vuurtoren zijn…

De volgende dag wil Las graag naar een heus kasteel, ridders, jongens en stoer weet je wel, waar je ‘rechtsaf’ voor moet vanuit St. Helier. Omdat we onderweg daarheen per ongeluk van de fietsroute af sukkelen ontdekken we een 19de eeuws zwembad… Van het type ‘beetje vervallen-kind of blue-zo heb ik het graag’…

Graag deel ik deze vijf toevallige toevalligheden waardoor Jersey voor ons heel erg meegevallen is en ik het graag aanprijs als vakantiebestemming… Geheel subjectief en totaal vrijblijvend dus…

St. Aubin

The Ancient Fisherman’s Chapel

Corbière Lighthouse

Mont Orgeuil Castle

Havre des Pas swimming pool

En dan vergeet ik nog de romantische Leafy Lanes, holle wegels waar struiken en bomen hun takken verstrengelen tot een afdak. En de gastvrije restaurantjes met krab en oesters op het menu… En tal van bezienswaardigheden die in mijn reisgidsje staan en waar we geen tijd voor hebben gehad…

Maar misschien, misschien moet je gewoon zelf gaan kijken, proeven en voelen…

Niets is wat het is… in de perceptie van een ander. Jersey.