Schatten van Britten

(Goede) Vrijdag 19 april 2019

Bloederig. Hij zegt het letterlijk. Niet één keer maar zowat in elke zin. Bloody

We liggen net afgemeerd aan de Halfpenny Pier in Harwich na een schitterende, zonnige zeiltocht. Deze ochtend vaarden we Nieuwpoort buiten bij het krieken van de dag, een droom van een noordooster blies ons 78 mijl naar de overkant in iets minder dan 14 uur.

Zagen we weinig volk op zee, hier aan Halfpenny Pier ligt het vol. Op het enige vrije stuk steiger prijkt een plakkaat. Please be aware. Gevolgd door de mededeling dat schepen van meer dan 20m voorrang krijgen aan dit ponton… Veel opties zijn er niet. In binnenvaren in Shotley marina hebben we geen zin en we zijn te moe om nu nog een eind de rivier op te varen en aan een mooring te gaan liggen. Een paar mensen van de andere jachtjes nemen vriendelijk onze lijnen aan. Tenslotte staat er ook niet dat het verboden is, toch?

Als we iets later in de kuip aan het avondeten zitten, met zicht op een dieporanje avondlucht boven de rivier, komt de havenmeester langs. Een luide goedlachse kerel die met veel verontschuldigende handgebaren komt uitleggen dat we helaas bloody plaats zullen moeten maken. Hij verwacht een tweemaster van 30m, de Lady of Avenel. Maar het bloody schip had hier al bloody uren geleden moeten zijn en het heeft bloody niks van zich laten horen en voor zijn part mogen we hier bloody blijven en vooral eerst en vooral van ons bloody lekker avondmaal genieten. En hij voegt er nog vlug aan toe dat – ook al vindt hij ons bloody sympathiek- we geen Britten meer in België moeten verwachten met ons rode-diesel-gedoe. Maar voor de rest moeten ons vooral nergens bloody veel van aantrekken, gewoon graag even plaats maken voor de bloody Lady of Avenel en er dan maar langszij gaan met de melding dat hij, de havenmeester, gezegd heeft dat het bloody goed was. En weg is hij, met een hartelijke zwaai.

Als de tweemaster anderhalf uur later aankomt, varen we netjes weg van het ponton, blijven even op de rivier wachten tot ze afgemeerd zijn en vragen dan om langszij te mogen komen. Sure, no problem! Grote glimlach en tal van helpende handen om onze lijnen aan te nemen.

(Paas)zaterdag 20 april 2019

Vandaag zeilen we naar het lieflijke Brightlingsea, een goeie 20 mijl verderop in de Thamesmonding. Nog maar eens is de zon volop van de partij. Als we kort na de middag de Colne rivier op varen en rechtsaf nemen naar de Brightlingsea Creek zijn we duidelijk niet de enigen die van het zomers aandoende lenteweer genieten. Het krioelt hier van de boten en bootjes. Opvallend veel zwaardbootjes, catamarans ook. Wat een drukte. Plots komt een snelle motorboot op ons toe gevaren. De man aan het stuur van de boot, zonnebril met oranje spiegelglazen, armen als boomstammen, flink getatoeëerde boomstammen, roept ons toe. Of we een ligplaats willen, misschien? Ja, fijn!

‘Maarrre…, jullie zitten wel midden in het startveld van een  zeilwedstrijd’, schreeuwt hij, ‘over vijf minuten gaan ze! Je kan óf vijf minuten wachten óf nú doorvaren!’

En dan haalt hij de schouders op en schreeuwt lachend: ‘Ga maar, snél, ik escorteer jullie wel… Ik ben de havenmeester!’ en hij stuift er vandoor. Wij er achteraan.

Hij begeleidt ons naar het eerste drijvende ponton aan de overkant van het dorp waar we een royale plek toegewezen krijgen. Dikke meertouwen laten vermoeden dat dit de vaste ligplaats van een werkschip is. Kunnen we hier wel blijven, moeten we ons nog verleggen? De havenmeester wuift onze zorg weg, het schip komt toch niet meer dit weekend, we kunnen hier blijven liggen, no worries! Even later liggen we afgemeerd, neus in de strakke oostenwind, en de zonovergoten kuip heerlijk beschut, mét zicht op de zeilwedstrijd…

De havenmeester vaart ook de watertaxi heen en weer en brengt ons van het ponton naar het dorp en na een frisse wandeling weer terug.

Vriendelijke havenmeesters, ze zijn goud waard…

Uit beleefdheid

Toen de vlag, dertig bij veertig centimeter, rood, geel en blauw, maanden later terugkeerde aan boord van onze Pat Panick, had ik een ‘de cirkel is rond’-gevoel. Het stemde me vrolijk. Voldaan ook. Omdat ik er van bij het begin nooit aan getwijfeld had dat het zo zou gaan…

En nu, hier in Mijdrecht, Nederland, aan een stel bijeen geschoven tafels in de kantine van een bedrijvencentrum, bedekt met tientallen kleurrijke vlaggen, komt de herinnering aan die ene vlag weer aangewaaid. En vraagt het verhaal om verteld te worden. Net als de talloze verhalen in deze kantine. Straks meer daarover.

2016, Kirkwall, Orkney.  Bij aankomst op deze eilandengroep ten noorden van Schotland vond ik het wel gepast om er de plaatselijke beleefdheidsvlag in het stuurboordwant te voeren. En niet die van Schotland… Las vond het overdreven, ’20£ voor een lapje stof, en we zullen hier amper een dag of tien rondvaren! Maar die Orcadians, dat is een volk apart. Die voelen zich niet helemaal Schots, en er stroomt wellicht evenveel Noors als Brits bloed door hun Orcadiaanse aderen. Omdat ze vonden dat een eigen vlag dat gevoel wel eens mocht uitdragen schreven ze in 2007 een wedstrijd uit. Het was namelijk zo dat hun vorige vlag, een rood kruis op een geel veld, te veel op die van het district Ulster in Noord-Ierland leek, zodat ze door het eerbiedwaardige instituut voor heraldiek in Schotland, Court of the Lord Lyon King of Arms, nooit erkend was geraakt… Een postbode uit Birsay won de competitie en de Orcadian Flag was een feit.

Het rood en het geel in de vlag verwijst naar de wapenschilden van Noorwegen en Schotland, het kruis is een Noors kruis en het blauw in de vlag verwijst naar Schotland, de zee en hun maritiem erfgoed…

Een dag of tien wappert de fleurige vlag beleefd onder de eerste zaling aan stuurboord, zoals een beleefdheidsvlag aan boord van een schip hoort te doen. Daarna berg ik ze op onder de zitting aan de kaartentafel. Niet voor lang, maar dat weten we nog niet.

 Zo’n 100 mijl verder… Groot is onze verrassing als we op Out-Skerries, één van de Shetland eilanden, solo-zeiler Henk en zijn jachtje s/y Rolwolk terugzien. We ontmoetten hem weken eerder in Peterhead, Schotland. Henk zou van daar zo ver mogelijk noordoostwaarts varen, tot aan de Shetlands, om dan rustig terug te hoppen naar de Orkney’s. Wij planden het andersom. ‘Als jij nog naar de Orkney’s gaat, dan neem je toch gewoon onze vlag mee,’ lach ik. En na een zachte schop van mijn schipper tegen mijn scheenbeen: ‘Op voorwaarde dat je die terug bezorgt in Nieuwpoort, natuurlijk..’ Later aan boord volgt nog wat schamper gemopper. Over hoe naïef ik wel ben en zo.

De zomer is al ver op haar eind als we een mailtje krijgen van Henk. Nieuwpoort heeft hij niet kunnen aanlopen op zijn terugtocht. Wel gaf hij onze vlag mee met een zeilend stel uit Nieuwpoort… De naam van de boot is hij helaas kwijt. Het was een naam uit de Griekse Oudheid, een liefje van Zeus, zoiets… Mijn schipper trekt zijn ‘zie je wel’-gezicht.

Ik vertel het verhaal aan een vriendin die in een watersportbedrijf werkt. En dan schieten lot en toeval in actie. Want niet veel later krijgt die vriendin het verhaal te horen van een stel dat afgelopen zomer naar de Orkney’s zeilde, daar een vlag mee kreeg van een Nederlander, maar de naam kwijt was van de boot voor wie ze bestemd was… De bemanning van de Lamia… Kort daarna kan ik tevreden mijn vlag weer opbergen onder de zitting aan de kaartentafel…

En nu nog even terug naar Mijdrecht… Al ligt dit een eind van zee, de mensen die we hier op een zonnige zaterdag in februari ontmoeten denken aan bijna niets anders dan de zee. En hun Breehorn. Want we zijn hier op de eerste vertrekkersdag van de Breehornzeilers. Negen stellen die binnen de drie jaar voor langere tijd weg willen met hun boot zijn hier samen gekomen en als ervaringsdeskundigen zijn Bertie en Martin van de Blue’s aanwezig. Jarenlang zeilden ze in Caraïbisch gebied en sluiten wegens leeftijd en gezondheid dit hoofdstuk af. Alle beleefdheidsvlaggen die ze in die tijd verzamelden liggen op tafel, achter elke vlag een kleurrijk verhaal.

Er wordt druk van gedachten gewisseld die dag en na afloop zijn we niet alleen heel wat tips rijker, we mogen elk een paar vlaggen meenemen. Kiezen doen we niet, we laten het gewoon aan het toeval over…

Wolken

Wolken

Wat er zo mooi is aan zeilen op zee? Het is niet alleen de zee. Er is ook de lucht. En de wolken. Staalblauwe hemel, geen wolkje aan de lucht, we horen het graag want dat betekent mooi weer. Voor mij is het weer vooral mooi als er ook wolken zijn.Wolken, wolkjes, wat hou ik er van. Ik verzamel ze, een hele collectie heb ik.

En weet je wat ik ook zo mooi vind op zee? Dat het overtollige er weg is. Huizen, auto’s, dingen. Hoe verder je vaart, hoe minder er is. Wat rest is de aangename versie van eenzaamheid. En wanneer er niet zo heel veel meer overblijft, denk: water en lucht, ga je pas echt goed kijken. Die lucht, die wolken, ze staan nooit stil. Altijd in beweging, altijd in verandering. Soms krijgen wolken rare, grappige vormen. De puntmuts van een kabouter. Een krokodil.

Helemaal bijzonder wordt het als de zon er bij komt. Lucht en wolken kunnen je verrassen met de meest onverwachte kleuren.

Muziek

Behalve van wolken, hou ik ook veel van muziek.

Soms hoeft het niet, muziek aan boord, en zijn de geluiden van boot, wind en zee meer dan genoeg. Soms, als er geen wind is, dreunt de motor. Dan is het geluid van de motor genoeg. En soms, soms is het gewoon stil. Als je zacht en traag vaart en golfjes zoetjes langs de romp gorgelen. Als je voor anker ligt. Of aan een ponton in een haven op een windstille dag.

Op zo’n stil moment is het fijn om te luisteren naar muziek waar je van houdt. Minimalistische muziek bij voorbeeld, die doet denken aan uitgepuurde landschappen met verre horizonten, aan de sobere eenvoud van voorbijdrijvende wolken. Zoals de pianostukken van Lubomyr Melnyk. Deze zeventigjarige muzikant uit Oekraïne ontwikkelde een heel eigen stijl, ook wel continuous music genoemd. Het is muziek die stroomt en stroomt, onophoudelijk als eb en vloed. Jaren en jaren ontwikkelde en perfectioneerde hij die aparte manier van pianospelen. Maar hij bleef onbekend, kon met moeite leven van zijn muziek. Tot een hip platenlabel zijn werk uitbracht en een nieuw publiek hem ontdekte…

“When I play I turn into an eagle flying, a dolphin swimming, a cheetah running. I turn into the rain, into the clouds, into the colour of the sky,”…

“Als ik piano speel verander ik in regen, in wolken, in de kleuren van de lucht, …”

Er zijn er die de muziek van Lubomyr Melnyk ophemelen, er zijn er die het maar niks vinden. Misschien hou je er van, misschien ook niet.

Nog even en het is kerst. En aan wie het wil geef ik graag een kerstcadeau… Een paar van mijn wolken, vederlichte wolken, avond- en ochtendwolken, boze wolken en frêle wolken… In ruim tien jaar verzameld tijdens zeiltochten op onze Noordzee.

Er zit ook een strik om heen. 7 minuten en 38 seconden aangename eenzaamheid… Het pianostuk,  Solitude n° 1, uit het album Illirion van Lubomyr Melnyk.

mijn kerstcadeau

 

Fijne feestdagen…

Records en superlatieven

Bloedstollend. De finish van de Route du Rhum 2018. Op 11 november glijdt de Franse zeiler Francis Joyon de aankomstlijn in Guadeloupe over en wint. Nauwelijks 7 minuten en 8 seconden na hem finisht François Gabart. De Route du Rhum, transatlantische solo-zeilwedstrijd van Saint-Malo, Frankrijk naar Point-à-Pitre, Guadeloupe werd voor het eerst in 1978 gevaren en vindt om de vier jaar plaats. Joyon, 62 jaar, wint niet alleen van de 27 jaar jongere Gabart, maar zet ook een record neer. 3542 mijl in 7 dagen, 14 uur en 21 minuten, gemiddelde snelheid 19,42 knopen… Een man en een zeilboot. Hallucinant en onwerkelijk.

Wedstrijdzeilen, ik heb er oprecht bewondering voor, maar zelf zijn we niet zo bezig met snelheid. Dat we niet competitief ingesteld zijn, we zeggen het graag. Maar toegegeven, als onze boot lekker loopt, vinden we het toch fijn. En als niet alleen de wind maar ook de stroming een handje helpen vinden wij een knoop meer ook best opwindend.

1 november 2018 – zeilen van Nieuwpoort naar Dover

De weersvoorspellingen zijn niet veelbelovend voor ons geplande retourtje Engeland. Maar zoals wel vaker, haalt mijn schipper zijn schouders op als ik er voor de zoveelste keer de weerberichten op nakijk. Te lang op voorhand kijken maakt je nodeloos zenuwachtig, vindt hij. En hij krijgt gelijk. De dag voor vertrek wordt een zuidzuidwest van vijf Beaufort voorspeld, ideaal! We vertrekken met het ochtendgloren uit Nieuwpoort aan een gezapig tempo. Zelfs de zon laat zich zien.

Net voorbij Duinkerke krijgen we de stroom mee en lopen vlot 7 knopen. Ter hoogte van Calais worden dat er 8 en meer. Snelheid, het doet iets met een mens. Ik kijk steeds vaker naar onze ETA op de Ipad. En ga ook stiekem mee rekenen. Als we aan dit tempo doorvaren, en de stroming neemt nog wat toe, dan komen we om zo laat aan.. We blijven stevig doorgaan tot in Dover en klokken uiteindelijk af op 7 uur en 55 minuten voor 56,9 mijl, 7,18 knopen gemiddeld. Ik hou geen statistieken bij, maar voor ons voelt dit lekker als een record…

2 en 3 november 2018 – met de trein van Dover naar Londen en terug

Het Kanaal overzeilen van Nieuwpoort naar Dover, de trein nemen van Dover naar Londen en vice versa, zeker niet de snelste manier om te gaan city-trippen in Londen, misschien wel de origineelste, maar ook gewoon leuk. Records, superlatieven, waar je ook kijkt, wat je ook leest, de wereld van vandaag lijkt er voortdurend mee te moeten uitpakken. Las glimlacht als mensen het vol overtuiging hebben over het mooiste strand, de mooiste kust, de mooiste zonsondergang. Hebben ze dan alles al gezien, vraagt hij zich spottend af, en is gewoon mooi niet mooi genoeg?

Londen, dat is een superlatief op zich. De snelst veranderende skyline (Canary Wharf), een pub genoemd naar de beroemdste Britse zeeslag (Trafalgar Tavern), de grootste boot-in-een-fles (maritiem museum, Greenwich), het meest unieke uitzicht over Londen (Emirates Cable Car), de leukste plek voor een herfstwandeling in november (Hampstead Heath) en de populairste figuur uit de Britse maritieme geschiedenis (Admiraal Nelson), die het allemaal onbewogen aankijkt…

En wij, wij boeken onze hoogste overnachting ooit en vergapen ons aan het mooiste nachtelijke uitzicht over Londen…

4 november – zeilen van Dover naar Nieuwpoort

Bij het krieken van de dag vertrekken we. We zijn de haven nog niet uit wanneer, net als de zon opkomt, de hemel enkele tellen fel oranje en purper kleurt. “Wacht, wacht!”, gil ik en spurt naar binnen om mijn camera te halen. “Dit is de mooiste ochtendlucht ooit!” Mijn schipper hijst het grootzeil en glimlacht.

In de loop van de dag zakt de wind helemaal weg en een record zit er niet in. Maar een mooie zeildag was het zeker.

Zeilen op een ander, het is eens wat anders..

Een boot, dat is een beetje als een huis. Je kan er wonen, eten, slapen. Maar met een boot kan je ook varen, reizen. En zelfs als je niét vaart is het er nog helemaal anders dan thuis. Het is er compact, er is geen garage, geen zolder of tuinhuis, geen voortuin of stoep. De kastjes zijn klein, de keuken is klein, -heet trouwens ook niet keuken maar kombuis-, de bedjes zijn smal. Het is er gezellig. Op onze boot trekken we ons graag terug als in een knus schuilhol. Wijntje, muziekje, boekje.

Als je al wat jaren samen vaart, hebben niet alleen de dingen aan boord een vaste plek gekregen, ook bij het zeilen is langzaam een routine gegroeid die in het beste geval zelfs woorden overbodig maakt. Afvaren, stootwillen en lijnen opbergen, zeilen hijsen, overstag manoeuvers, alles gebeurt -meestal- soepel als in een goed geoefende choreografie. Het is fijn als je (zeil)partner en je boot je passen als je lievelingstrui… Over de momenten dat ze meer hebben van een paar knellende schoenen heb ik het wel een andere keer…

Maar weet je wat ook fijn is? Eens te gast zijn op een ander schip. Afgelopen herfst vaarden we twee keer vreemd

Noord…

Elk jaar in september organiseert de Vereniging van Breehornzeilers, ons Hollands clubje zoals ik ze graag noem, een zomerontmoeting. Dit jaar vindt die plaats in Makkum, Friesland. Het concept is even eenvoudig als gezellig. Je komt met je eigen schip of je logeert op de Breehorn van een ander. Bij een borrel worden zeilavonturen van de voorbije zomer uitgewisseld, er wordt een wedstrijdje gezeild en eten bereid je met en voor mekaar. Voor een retourtje Friesland met onze Pat Panick ontbreekt de tijd maar logeren op Iskander, de mooie Breehorn 41 van Renée en Jan-Willem kan wel. We treffen ze op vrijdag in hun thuishaven Andijk en zeilen dezelfde avond nog het IJsselmeer over naar Makkum. Grimmige wolken maken dreigend duidelijk dat we ons niet mogen vergissen. Het is niet omdat dit maar een meer heet, dat de elementen hier niet flink kunnen uithalen. Iets later zijn wind en hagel ons deel…

Op zaterdag varen een aantal Breehorns een wedstrijdje en ’s avonds wordt er gekookt. Iedereen bereidt een gerechtje naar keuze in eigen kombuis, al dat lekkers wordt in een verrassend kleurrijk buffet samengebracht en met de hele groep gedeeld. Smullen en kletsen! Zondag varen we met Iskander terug het Ijsselmeer over naar Andijk… Er staat een stevig windje, maar het water is vlak, hier geen Noordzee golven…

Zuid…

Een paar weken later gaan we zeilvriend Alain opzoeken. Die hopt elke zomer gedurende enkele maanden met zijn Kipper, een Najad 373, van Nieuwpoort naar Zuid-Bretagne en terug. Dit jaar hopte hij verder, tot in Charente Maritime, en besliste om er een keertje te overwinteren. Het is in Bourgenay, niet ver van Les Sables d’Olonne, dat we hem treffen.

Bij heerlijk nazomerweer zeilen we naar Saint-Martin-de-Ré op Île de Ré, zon en wind zijn ons deel. We komen er sneller dan verwacht en hangen nog even aan een boei tot het water hoog genoeg is om tussen de robuuste vestingmuren de charmante haven in te varen. Goudgele huizen, rode pannetjes op de daken en zonovergoten terrasjes zorgen voor een instant zuiders gevoel. We brengen een dag door op dit eiland van zoutwinners en vissers en zeilen dan door naar La Rochelle.

We hebben nog maar eens een heerlijk zeilweekend, de Najad is snel, comfortabel en gezellig, het vaargebied mooi en veelzijdig.

Breehorn, Najad, noord… zuid… Oost, west, thuis best? Dat laat ik graag in het midden. Zou er zoiets als dé perfecte boot bestaan, denk ik dan. Wat is er goed, beter, best? En het perfecte vaargebied, bestaat dat dan? Of is het een beetje als met huizen en landen, overal is er wel wat. En misschien is het wel perfect als je je maar thuis voelt… En als het goed zit, net als die lievelingstrui…

Afspraakje in Ådnøy, doorzakken op Langøy

Woensdag 18 juli 2018

“A, met zo’n bolletje er op, D, N, O met zo’n schuine streep er door, Y. Ådnøy, ja. Coördinaten? 58°55’1N 5°59’8E. Wat zeg je, we hebben jullie wakker gebeld? O jee, oprechte excuses…” Mijn wangen kleuren rood, maar dat zie je niet over de telefoon. “Nee hoor, geen haast, we zien jullie vanavond of morgenochtend, ook goed, wat er het beste uitkomt…”

Ik heb net gebeld met Jan-Willem van Iskander. En van Renée. Iskander is een Breehorn 41 in een bijzonder mooi blauw. Of is het groen? Iets er tussenin. Maar zo mooi, dat er intussen al meer Breehorns in een vergelijkbare tint rondvaren. We leerden Jan-Willem en Renée kennen op onze allereerste winterontmoeting van de Breehornzeilers. En er was een vage afspraak geweest. Zij planden dit jaar in juli een zomervakantie in Noorwegen, wij ook. Eind juni whatsappen we elkaar onze vaargidsen en kaarten maar veel concreter dan “Ergens in het Noorden borrelen?” wordt de afspraak niet. En zo hoort het ook met een zeilboot…

MarineTraffic verklapt dat ze een week na vertrek uit Nederland niet in Noorwegen maar in Schotland zijn. Daarna in Kirkwall, Orkney. Hm, geen Noorwegen dus. Tot er een verrassend whatsappje komt dat ze van daaruit vertrokken zijn richting Stavanger.

En nu heb ik ze wakker gebeld… Wij zijn vroeg op hier in Lysebotn en het is me helemaal ontgaan dat zij net een tocht van 250 mijl achter de rug hebben. Kort na de middag vertrekken we naar Ådnøyvågen, zo heet het baaitje op het eiland Ådnøy. Las prikte het op de kaart omdat het ongeveer halverwege Stavanger en de Lysefjord ligt en onze Imray Pilot het omschrijft als ‘attractive’ en ‘sheltered’…

De Lysefjord terug uit varen is mooi, en je raadt het nooit, de wind zit weer maar eens lekker tegen. Opnieuw hangen de wolken laag en dreigend boven de fjord, maar later klaart het op.

Wanneer we de baai van onze afspraak binnenvaren, ligt Iskander daar al vredig geankerd in een stralende avondzon. Dus tóch borrelen in Noorwegen!

Het borrelen gaat over in avondeten, het avondeten in dessert en al zijn het de langste dagen van het jaar, het is al pikdonker als Iskandertjes met hun bijboot terugpeddelen…

Donderdag 19 juli 2018

Stil, zomers en mooi is het hier in onze paradijselijke ankerplaats. Luieren in de zon, zwemmen in het koele water, een stukje lezen, meer hoeft niet. Na de middag lichten we het anker en nemen afscheid van Iskander…

Stavanger staat nog op ons programma, maar we stellen de drukte van de stad nog even uit en varen naar het kleine eilandje Langøy. Las prikt het op de kaart omdat het op slechts 2,5 mijl van Stavanger ligt en onze Imray Pilot het omschrijft als ‘attractive’ en ‘convenient’…

We liggen er langszij bij een gezellige Noorse familie die geen neen zegt tegen een Belgisch biertje. Borrelend gaat de avond over in de nacht…

BewarenBewaren

De Noren gereserveerd, zeg je?

“Weet je wat er zo speciaal is aan de Noorse windmeters? Ze wijzen altijd met hun pijl naar waar de wind vandaan komt!” Arve en Cecilia lachen hartelijk. We hebben het hier al ondervonden, tussen de eilanden draait de wind verrassend en ja, hij lijkt steeds weer tegen te zitten…

14 – 15 juli 2018

Sauøya

Zachtjes varen we de baai binnen. En we zien het meteen, dit plekje is een paradijs. Spiegelglad turkoois water, een kleine kom. Er ligt een zeilboot voor anker. Het stel op de boot zwaait naar ons. Geen klein wuifhandje of een snelle strakke ‘hoi’, maar een brede trage zwaai, heen en weer in een duidelijke boog. Ik hou van dit gebaar, die typische bootmensen-zwaai…

Twee vaargidsen hebben we aan boord, de Vaarwijzer Scandinavië en de Oostzee van René Vleut en de Imray Pilot Norway van Judy Lomax. Het boek van René Vleut bevat een schat aan informatie maar omvat zo’n uitgestrekt gebied dat er niet echt in detail kan worden gegaan. Dat doet de Imray Pilot dan weer wel. Maar 25.000 km kustlijn krijg je niet zomaar in een boek gepropt, dat is duidelijk. Verder hebben we nog twee heerlijk gedetailleerde atlassen van de uitgeverij NV Verlag, NO 5 en NO 6.

Het plekje dat we voor vandaag uitgekozen hebben, een baai op het eiland Finnøy, bevalt ons niet echt, er staan te veel huizen, er is een zeilclub, het is er te druk. We varen door naar het piepkleine Sauøya…

Daarvoor moeten we om het eiland Bokn heen en of je daarvoor noord of zuid kiest, maakt niet uit, het is ongeveer even ver. In de hoop de wind eens niét tegen te hebben, kiezen we voor de zuidkant… Maar wat ik niet gezien heb op de kaart is dat er op deze vaarroute een kabel van 22m tussen twee eilanden hangt. Help, onze mast! Zijn we nu 20, 21 of 22m doorvaarthoogte? Veel tijd om ons hierover druk te maken, is er niet. We schuiven sneller dan ik wil dichter en dichter naar de kabel toe, die voor mij slechts halverwege onze mast reikt. Ik weet wel dat dit gezichtsbedrog is maar tot de laatste seconde ziet het er griezelig te laag uit. Ik verbaas me er over hoe rustig Las blijft wanneer we er probleemloos onderdoor gaan. “De kaarten nemen een goeie marge, en het is laag water…” Even later liggen we voor anker in een filmdecor.

De Noren op de zeilboot een eindje verderop blijven uitnodigend kijken en lachen naar ons. Als Las er met de bijboot naar toe roeit en ze voor een drankje en een babbel aan boord uitnodigt, zijn ze “ja, takk” meteen akkoord.

We maken kennis met Cecilia en Arve, een hartelijk koppel uit Tananger. Oprecht openhartig bekennen ze zopas onze vlag gegoogeld te hebben, want waren even in twijfel of het nu een Duitse vlag was of niet. Ze hebben bewondering voor het feit dat wij hier aan de westkust komen zeilen, volgens hen wil iedereen naar het meer mondaine zuidoosten van Noorwegen. Maar zij zijn fier op hun iets minder toeristische vaargebied. Met de kaarten er bij duiden ze nog een paar mooie plekjes aan en geven ons het advies om naar Jørpeland te varen in plaats van naar Tau als we naar de Preikestolen willen. Waar ze, voegen ze er fijntjes aan toe, zelf nog nooit geweest zijn wegens te toeristisch… Hún favoriete zeilgebied is de Hardangerfjord. Dat is die van op ons ooit-nog-to-do-lijstje.

Arve is wég van onze real sea-going boat zoals hij onze Breehorn noemt. ‘Een boot om mee naar het Noorden te varen,’ zegt hij dromerig, ‘de Lofoten…, en verder.’ Nog meer op ons ooit-nog-to-do-lijstje dus.

We kletsen en lachen de zomerse avond weg met kleurrijke zeilverhalen. De volgende ochtend blijven we nog tot een stuk in de namiddag in dit mooie plekje vooraleer we ons anker lichten en doorvaren naar Jørpeland en de Preikestolen..

Waar o waar?

Vanuit het zuidfranse Fréjus whatsappt vriend Robin, die onze passie voor zee en zeilen kent, een foto, met daarbij de woorden: ‘à compléter’…

Aangevuld en vertaald:

‘Er zijn drie soorten mensen, de levenden, de doden en zij die op zee varen…’

Wie het precies zei en waarom, daar is niet zo veel zekerheid over, maar het maakt wel duidelijk hoe men al van in de Oudheid over zeelui denkt. Dat hun lot zo onzeker is dat ze niet meer bij de levenden -lees: normale mensen- gerekend worden, maar dat ze toch ook niet helemaal weg -lees: dood- zijn. In die tijd verdween een schip gewoon letterlijk aan de horizon.

Vandaag de dag ondenkbaar. Dankzij wonderlijke zaken zoals GPS, AIS, Marine Traffic en andere slimmigheden volg je boten in real time. Drones filmen wedstrijdboten in de Indische Oceaan en luttele uren later hap je die hallucinante beelden satelliet- en Facebookgewijs weg bij je ontbijt…

Maar vijftig jaar geleden, in 1968, was van dat soort spitstechnologie nog geen sprake en konden zeilers echt nog verdwijnen aan de horizon. Zo ook de negen deelnemers aan de Sunday Times Golden Globe Race, de allereerste non-stop solo rond de wereld zeilwedstrijd. Slecht één van hen, de illustere Robin Knox-Johnston, haalde na 312 dagen de finish. Zeven anderen gaven op. Eén zeiler kwam om het leven…

Donald Crowhurst was zijn naam.

Het bittere verhaal van Donald Crowhurst is in deze tijden van mediagekte en fake news plots weer opvallend actueel en inspireerde bijna gelijktijdig twee cineasten. De Britse film ‘Crowhurst’ is voor zo ver ik weet niet in de zalen bij ons, maar naar de Amerikaanse verfilming ‘The Mercy’ gaan we kijken.

Donald Crowhurst neemt in 1968 niet alleen voor het avontuur maar vooral uit geldnood deel aan de Sunday Times Golden Globe Race. De prijzenpot moet de redding worden voor zijn wankele bedrijfje Teignmouth Electron. Het gaat een risicovolle onderneming worden, niet alleen omdat hij bitter weinig zeilervaring heeft, maar ook omdat er bij de voorbereidingen veel mis gaat.

De bouw van zijn trimaran loopt zo veel vertraging op dat hij de uiterste vertrekdatum dreigt te missen. Maar de druk -onder andere van de pers- is zo hoog dat de twijfelende Donald, ook al is zijn schip niet klaar, toch het ruime sop kiest.

Als hij voor vrienden en familie aan de horizon verdwenen is, wordt het hopeloze van zijn waagstuk dag na dag duidelijker. Maar wanneer via korte momenten van radiocontact blijkt hoe hoog de verwachtingen aan land gespannen zijn, wordt hij radeloos. Falen wil hij niet, doorgaan is onmogelijk. En daar gaat het mis. Sukkelend op de oceaan begint hij te liegen over zijn positie. Hij start een tweede logboek, creëert zorgvuldig een vals traject, een verzonnen reis om de wereld.

Dit fake news communiceert hij mondjesmaat met het thuisfront. Dat brengt hem steeds meer in moeilijkheden want plots blijkt hij -vanuit zijn valse positie- op kop te liggen. De journalisten smullen er van. Nu de andere deelnemers een na een opgeven, maakt de pers van underdog Donald een ware held. Mentaal gaat het helemaal bergaf met de eenzame zeiler. En dan valt alle radiocontact weg… Weken later wordt de Teignmouth Electron verlaten aangetroffen door een vrachtschip, van de schipper geen spoor. Enkel met een wanhoopsdaad hoopte Crowhurst nog genade te vinden.

De vertolkingen van Colin Firth en Rachel Weisz en een fiks filmbudget ten spijt zijn de kritieken over de film allesbehalve lovend. Maar kijk, cinema en zeilen, ik vind het zelden een geslaagd huwelijk. Hoe het er op een boot aan toe gaat op volle zee krijg je aan niet-zeilers al nauwelijks uitgelegd, laat staan beproevingen als die van Donald Crowhurst. Toch ben ik het niet helemaal eens met de filmcritici en heb wel genoten van de film…

Maar ik moet het die filosofen uit de Oudheid nageven, zeelui zijn echt wel een héél aparte categorie. En om dat geloofwaardig in een film te vatten, eenvoudig is het niet…

Maar niet getreurd voor wie de film niet geslaagd vindt, er is ook nog altijd het boek, dat wel positieve kritieken krijgt. ‘Een meesterwerk’ en ‘fascinerend’ wordt The Strange Last Voyage of Donald Crowhurst, geschreven door journalisten Nicholas Tomalin and Ron Hall, lovend genoemd. Er is nu ook een Nederlandse vertaling van, ongetwijfeld een perfecte aanvulling van de scheepsbibliotheek..

BewarenBewarenBewarenBewarenBewarenBewarenBewarenBewaren

Er was eens… Een kerstverhaaltje

21 december 2017

Twee dingen zegt de weervrouw op tv. Dat vanaf nu de dagen terug langer worden. Maar dat we daar niet veel van gaan merken wegens het grijze en mistige weer dat nog maar eens voorspeld wordt voor de komende dagen. O ja, en ze zegt nog meer. Dat deze decembermaand zowat de meest duistere is in een halve eeuw. Amper vijf uren zonlicht zijn ons tot hiertoe gegund. Toegegeven, zon en licht zijn fijner en inderdaad, nu is het behelpen met de warmte van haard en thee en het licht van kaarsjes en kerstboom. Maar toch hou ik wel van het ritme van de seizoenen. En waarderen we niet zoveel meer wat schaars is?

Intussen staat onze boot al weken boven, stijfjes onder haar wintertent. Wachtend op langere dagen, licht en zon, net als wij. We missen haar. Zouden we volgend seizoen misschien toch eens een winter in het water blijven? We deden dit wel eerder. En zeilden we dan niet heel vaak, het kón wel. Die vrijheid.

Thuis, bij de warmte van de haard en het licht van de kaarsjes komen de herinneringen terug aan zo’n winter. Negen jaar geleden, Kerst 2008. En we gaan drie dagen zeilen.

Op de eerste dag, 25 december, zeilen we van Nieuwpoort naar Zeebrugge. Het is kil en grijs, maar over de marifoon wensen kapiteins, loodsen en verkeersleiders elkaar een vrolijke Kerst. In de jachthaven brandt op nog één boot licht, voor het kajuitraam een piepklein kerstboompje. Ook onze boot is in kerstoutfit, net als wij. En de ene cd met kerstklassiekers die we hebben, staat op repeat. Met gloeiende wangen van een winterse dag op zee genieten we van lekkere kerstdingen uit het kombuis.

Op tweede Kerstdag zeilen we naar Blankenberge. De haven ligt er verlaten bij, op geen enkele boot een teken van leven, we zijn helemaal alleen. Bij het afmeren zien we een zeiljacht waarvan twee stootwillen tussen boot en ponton uit gerold zijn, ze schuurt ongelukkig met haar flank tegen het ponton, dat wordt een schaafwondje… We hangen de stootwillen terug goed en stoppen een briefje met onze kerstwensen onder de kajuitdeur… Karma, denk ik dan.

Als we de derde dag opstaan, is het ijskoud. Geen wolkje aan de hemel, een strak windje. Maar koúd! Het wordt een mooi tochtje terug naar Nieuwpoort…

Twee weken later -Nieuwjaar is alweer voorbij- kunnen we die winter tijdelijk niet zeilen…

De haven ligt er dichtgevroren bij… Zo mooi kan winter dus zijn..

Bij deze iedereen een fijne Kerst gewenst! En wordt er nu misschien niet gezeild, dan wordt er zeker verteld, gemijmerd en gedroomd van zon, zee en verre zeilreizen!

BewarenBewaren

Een zeemansgraf van ijs

1 december 2017, minder dan een handvol graden is het buiten. Het seizoen van korte dagen en lange avonden, perfect voor een ijzig verhaal.

‘Er bestaat geen slecht weer, alleen slechte kleding.’ Dat zeggen ze in Scandinavië en ik denk wel dat zij het kunnen weten. Ook op een boot is het feit, je moet verdorie goed gekleed zijn om het bij bar weer leuk te houden op de Noordzee. Warm en droog blijven is de kunst. Op onze laatste zeiltocht van het seizoen – begin november- valt het weer best mee voor de tijd van het jaar. Mijn recept is thermisch ondergoed als eerste laag, een warme fleece als tweede laag en een zeilpak als derde laag, aangevuld met sokken, laarzen en mijn handgebreide Fair Isle wollen muts. We staan er soms niet bij stil, maar vandaag de dag zijn we verwend met nieuwe materialen die niet alleen warm maar ook nog eens vederlicht zijn, eenvoudig te wassen en snel weer droog. Die hoogtechnologische dingen zorgen er zelfs voor dat zweet er uit kan en regen er niet in. Die luxe hadden de bemanningen van de HMS Terror en HMS Erebus niet, twee zeilschepen van een Britse expeditie die meer dan 170 jaar geleden op zoek ging naar de fel begeerde Noordwestelijke doorvaart

‘Death in the Ice’, een knappe tentoonstelling in het Greenwich Maritime Museum brengt dat ijzige verhaal. Na een herfstige zeiltocht naar Dover hebben we de trein naar Londen en de metro naar Greenwich genomen. Een stevige brok maritieme geschiedenis. De Cutty Sark bezochten we al, maar de vaste collectie van het scheepvaartmuseum wil ik wel graag zien. We komen er niet aan toe, de tijdelijke expo over de poolexpeditie van Sir John Franklin is zo beklijvend dat we er tot sluitingstijd blijven hangen…

In 1845 vertrokken twee schepen, goed uitgerust voor een tocht naar het onbekende Noorden. Maar HMS Terror en HMS Erebus vaarden zich vast in het ijs. Er gingen twee jaar voorbij, van de bemanning werd niets meer gehoord.

Expeditie na expeditie werd er op uitgestuurd. En leidden hun zoektochten niet tot de vondst van de twee verdwenen schepen, ze zorgden er wel voor dat heel wat nieuwe  stukken land uit dat gebied in kaart konden worden gebracht.

Helemaal spoorloos was het team van Sir John Franklin niet verdwenen. Soms werden gebruiksvoorwerpen en documenten teruggevonden. Zelfs een reddingssloep met menselijke resten werd ontdekt. En heel recent, na jaren van niet aflatend onderzoek, zijn in 2014 en 2016 beide schepen teruggevonden, allebei in verbazingwekkend goede staat. Nog lang niet alles wat er met de arme zeelui is gebeurd, is achterhaald, de expo belicht die historische zoektocht van bijna 170 jaar.

Wat me verrast is de rol van de Inuit in die zoektocht.

Omdat zij een heel eigen taal hadden waar geen schrift bij hoorde zoals wij dat kennen, was mondelinge overlevering voor hen erg belangrijk. Ze ontwikkelden er een sterk geheugen door, hun verhalen zaten vol details en werden met de grootste zorg doorgegeven. En precies die getuigenissen verhaalden keer op keer hoe de ‘witte mannen’ hun schepen verlaten hadden en met sleden op weg waren gegaan. Er waren ook plaatsaanwijzingen, maar daar werd weinig geloof aan gehecht. Maar tijden veranderen en men begon in te zien hoe waardevol hun overlevering wel kon zijn. Uiteindelijk leidde dat mee tot de vondst van de scheepswrakken. De expo besteedt ruim aandacht aan die mondelinge traditie van de Inuit.

Mij treft de beschrijvingen van hoe vreemd gekleed de Inuit de ‘witte mannen’ wel vonden, met ‘hun hoed niet bevestigd aan hun jas’. Dat vonden ze zo gek, dat het een vast onderdeel werd van hun verhalen. Het maakt duidelijk dat de kleding van de Britse bemanning helemaal niet geschikt was voor het ijzige poolklimaat en dat dit mee de oorzaak was van hun uiteindelijke dood in het poolijs…

Wanneer we ’s anderendaags heel vroeg de zee op gaan, trek ik de kap van mijn jas stevig over mijn muts… Verhalen vol details, onderschat ze niet…