Gedonder in Southwold

De zomer zindert in Lowestoft. Schaterend zoeken kinderen verkoeling onder de fonteinen.

Met een ijsje kuieren we langs de dijk, installeren ons op het strand en doen er een zalig dutje. Hoog toerist-gehalte dus. Later lopen we nog tot Ness Point, plek van superlatieven. Met 001°45’53 E het meest oostelijke punt van Groot-Brittannië, de hoogste windturbine, Gulliver, 126m hoog. Sloom maaien de wieken van de reus in de warme lucht.

’s Avonds eten in het restaurant van de Royal Norfolk & Suffolk Yacht Club lukt helaas niet. De kok heeft de handen vol aan een grote groep Nederlanders op clubuitstap. Gelukkig voldoende proviand aan boord voor iets lekkers. De volle maan verlicht de marina.

En dan naar Southwold. Onze zeilvrienden die daar al eerder kwamen, hebben het vaak over hoe bijzonder het daar is. Maar het is er opletten met het tij. En zeker nu -net volle maan voorbij- met springtij. Het is ook heel hard gaan waaien, uit het zuiden nog wel. We ploeteren 13 mijl traag langs de kust, niet het meest aangename tochtje. Klutszee. De aanloop van de rivier Blyth is spectaculair, er staat nog stroom naar binnen, de wind loeit daar dwars overheen.

Zonder zeilen en zonder motor stromen we aan 4 knopen naar binnen. We worden er zenuwachtig van, onze 13 ton lijkt dus niet zomaar gestopt te kunnen worden. We hebben een plek gereserveerd en de havenmeester staat te zwaaien van op een boot waar we langszij moeten. En dan gaat het anders dan verhoopt. Keren op de stroom geeft een raar gevoel, het lijkt wel of je uit de bocht gaat. Varen we nog iets te snel, heeft de wind ons te pakken, hoe dan ook, we belanden bruusker dan bedoeld tegen het jacht. En dan gaat het nog veel anders dan verhoopt. Zowel hun als onze stootwillen rollen mekaar omhoog, tussen de twee boten uit. Oh nee, oh nee. Afstand nemen lukt niet, de havenmeester houdt de lijn te strak, de wind perst ons tegen de flank van de boot. Onze robuuste stootrand slijpt zich piepend in de witte gelcoat van de buurman. Een beetje vooruit, een beetje achteruit. Het geluid gaat door merg en been. Wanneer we uiteindelijk goed liggen, komen de eigenaars van de Morning Star aan boord en biechten we blozend het gebeurde op. Gelukkig nemen ze het sportief op –this is not the end of the world– en de schipper besluit de schade ter plekke te laten herstellen. Wij vereffenen de rekening.

Southwold is apart. Een landelijke wandeling brengt ons in het pittoreske centrum.

Het is er druk, toeristen shoppen, eten fish & chips en drinken halve liters Adnams ales. Het valt me op dat het aanbod van de winkels, of het nu om souvenirs of mode gaat, smaakvoller is dan in de doorsnee Engelse badplaats.

Ook bijzonder is de Southwold Sailors’ Reading Room. Deze leeszaal, ooit geopend om zeelui uit de kroeg te houden, ademt meer dan 150 jaar maritieme geschiedenis. Je mag er helaas geen foto’s nemen.

We wandelen terug langs de rivier, waar allerlei stalletjes het lekkerste uit de zee verkopen.

’s Avonds ontlaadt het drukkende zomerweer zich in een knetterend onweer. Harde donderslagen, felle bliksems en striemende regen. We zitten lekker te eten in de Harbour Inn, met uitzicht op de boot. Gedonder in Southwold…

 

 

Nachtzeilen schept een band

Ik moet het toegeven. Een mens is soms te snel met een oordeel.

In Arbroath ligt een boot, de Fidelia. Wanneer met het opkomend tij de poort van de marina opengaat, varen ze uit. Wij ook.

In Eyemouth -we zijn zelf net afgemeerd- komt een boot langszij bij ons. He, de Fidelia! Veel meer dan een korte babbel komt er niet. Je hoeft niet de hele wereld op de koffie te vragen, maar toch, dit is weinig. We verzuchten even dat het toch anders was in Orkney, Fair Isle en Shetland. Daar sprak iedereen iedereen. We waren er ook met minder. Ik weet het niet, ongemerkt is daar dat oordeel.

En dan komen we toe in Amble. Oh, kijk, daar ligt Fidelia alweer, een flink eind bij ons vandaan. De man gaat de mast in, een klus moet geklaard. Zo gaat dat in een haven, je kijkt, je ziet dingen. Neemt er zelfs even de verrekijker bij. Zwaait. Maar al zijn we nu in de derde marina samen afgemeerd, tot een babbel komt het niet. Als we van een lange wandeldag terug aan boord komen, blijkt Fidelia alweer vertrokken.

Een dag later. Het is dik na middernacht als we door de brug kunnen om Whitby marina binnen te varen. Aan het wachtponton voor de brug ben ik onder de doghouse in slaap gesukkeld, de marifoon wekt me. Bijna op de tast sluipen we de marina in. Wat is het moeilijk om een plek te vinden in het donker. Maar kijk, het eind van het ponton, bakboord is nog vrij. Zo stil als we kunnen manoeuvreren we ons op onze plaats. He, is dat niet de Fidelia naast ons? Wat een toeval. We slapen uit en als we opstaan is Fidelia verlaten.

Twee dagen later, we gaan van Whitby naar Lowestoft varen, 150 mijl ver. Pas om 1:30 pm gaat de brug open. In de voormiddag, in afwachting van ons vertrek, knip ik het haar van Las op het ponton. “Nice, really professionally done,” klinkt het lachend. Aha, er is toch beweging op de Fidelia. Ze gaan ook naar Lowestoft. Ook 150 mijl ver. En aangezien we allebei afhankelijk zijn van de opening van de brug, vertrekken we op precies hetzelfde moment.

We varen met wel twaalf boten Whitby buiten. Tien doen er mee aan de weekend regatta, twee gaan er naar Lowestoft, Fidelia en wij.

Ze blijven ons voor. Een snedige boot is het wel. De wind maakt bokkesprongen, nu eens varen we halve wind, dan aan de wind, dan moeten we overstag omdat de wind veertig graden shift. Telkens worden die grillen voorspeld door Fidelia die haar zeilen bijstelt, haar koers verlegt. Wij volgen als een schaduw.

Na het avondeten wordt de wind stabieler, we varen halve wind. Hela, daar gaat hun gennaker de lucht in. Dat werkt op ons als een rode lap op een stier. We sleuren ook voor het eerst in vijf weken onze gennaker aan dek. Prachtig zeilen is het, net voor het donker wordt, nog ruim twee uur onder halfwinder. Tot de wind wegvalt en de kleurige ballonnen inzakken als mislukte soufflees.

Lowestoft, de Royal Norfolk & Suffolk marina. We lopen de monumentale club binnen en de eerste persoon die ons pad kruist is de schipster van de Fidelia. Bijna omhelst ze ons. “Wat een prachtige nachttocht was dat,” lacht ze “die bijna volle maan, en de zonsopgang, en zo geruststellend om het met twee te doen!” Ze tovert mooie foto’s van onze boot onder gennaker uit haar Ipad tevoorschijn en nodigt ons uit voor een glas aan boord.

We hebben alle vier niet veel geslapen, maar plots komt aan het kletsen geen eind. Biertje na biertje worden zeilverhalen uitgewisseld. Jo en Mal(colm). Pas na vijf jachthavens spreken we mekaar met de voornaam aan.