Witte donderdag, rode diesel

Donderdag 13 april 2017. Witte donderdag.

Het paasweekend ligt voor de boeg. Boodschappen zijn gedaan, weerberichtjes binnengehaald, water en fuel getankt. We hebben nog maar net de laatste plooibox aan boord gezet of drie mannen in het zwart, mét reddingsvest en aktentas komen het ponton op gelopen, onze richting uit.

Controle van de douane… Identiteitspapieren, vlaggenbrief, aankoopbewijs, onze papieren zijn in orde.

Maar als een van de twee dieselcontroleurs een staal uit onze tank tegen het licht houdt, schudt hij meewarig fronsend het hoofd. Met oprechte interesse bekijkt Las samen met hem de brandstof en vraagt bezorgd of er niet te veel prut in zit, de mogelijke vervuiling van onze dieseltank is iets waar mijn schipper wel eens over piekert.

“Vervuiling?” De controleur schudt nu nog meer het hoofd, “Te róód, ja!”. Van zorgeloze zeilers voelen we ons veranderen in opgejaagd wild. Te rood? Uiteraard, vorig jaar vaarden we zes weken in Schotland en hebben daar rode diesel getankt. Daarvan kan hier en nu nog wat in onze tank zitten, ja…

“Mag niet”, klinkt het formeel. “In strijd met de wet.”

Er bestaan twee soorten diesel, de rode waar de staat minder accijnzen op heft, is voor beroepslui, de witte, de dure dus, voor alle anderen. In Engeland hebben ze die Europese richtlijn niet willen aanvaarden, zij gunnen hun pleziervaart nog goedkopere brandstof. Meer zelfs, in hun jachthavens is enkel rode diesel te krijgen.

Furfural is de kleurstof die rode diesel rood maakt. Een hardnekkig goedje dat -eenmaal in je brandstoftank- tot meer dan twee jaar zichtbaar blijft. Ook al tank je bij terugkeer in eigen land volgens het boekje witte diesel, tankbeurt na tankbeurt.

Ik denk terug aan de plaatsen waar we die ‘foute’ diesel haalden. Afgelegen plekken waar enkel boeren en vissers wonen. “En als daar nu geen witte diesel te krijgen was?” probeer ik nog. “Dan heeft u niet hard genoeg geprobeerd, mevrouw.” En hij haalt er statistieken bij. “Op 100 mensen die naar Engeland varen, slagen er 90 in om zelfs dáár (minachting) witte diesel te bemachtigen, waarom kunnen die andere 10 dat niet?” Ik begin me vooral zorgen te maken over die 10. Leven ze nog?

Ik herinner me een passage uit onze vaargids met het advies om in een afgelegen zeilgebied als de Shetland eilanden altijd water en fuel te nemen waar dat mogelijk is. Goed zeemanschap dus. Omdat we ook weten dat we bij thuiskomst in principe geen rode diesel meer in onze tank mogen hebben -volstrekt onrealistisch dus-, hebben we elk bonnetje bewaard. In ons logboek staan onze tankbeurten, wit en rood, en motoruren. Dat maakt weinig indruk. Ons staal -het doet me denken aan het plasje bij het medisch onderzoek in de lagere school- zal naar Leuven gaan voor verder onderzoek. “In België heb je je aan de Belgische wetten te houden, zo is dat, informeert de controleur ons nog. Engelsen rijden bij ons toch ook niet links?”. Of we dan met onze rooie diesel ook zo’n gevaar betekenen, vraagt Las laconiek.

En wat adviseren de heren van de douane dan wel als je in Engeland uit noodzaak rood hebt getankt en de Belgische wateren terug binnen vaart? De controleur haalt de schouders op, leegpompen zeker? Dat is duidelijk zijn probleem niet. 400 liter brandstof weggooien? Waar en hoe doe je dat? En dan je tank laten reinigen, brandstoffilters vervangen? “Sorry, mevrouw, wij doen enkel ons werk.”

We vernemen dat we een boete tot duizend tweehonderd vijftig euro riskeren. Duizend tweehonderd vijftig euro. De man spreekt het bedrag langzaam kauwend uit, zijn collega sust dat het misschien wel zo’n vaart niet zal lopen…

Ten slotte mogen we nog een klein staaltje van onze diesel houden, in een verzegeld zakje weliswaar…

Drie dagen later is het Pasen. We klinken met een glaasje. Niet wit, niet rood, maar licht rosé…

Wordt vervolgd. (of misschien niet?)

Betsy

Elke boot heeft een verhaal. Elke boot vaart haar verhaal. Sommige verhalen krijgen zeeën van aandacht en verdienen die ook. Maar er zijn heel gewone zeilers die heel straffe dingen doen, al heten ze niet Armel Le Cléac’h en winnen ze geen Vendée Globe. Hier komt het ongelooflijke maar waar gebeurde verhaal van Guy Waites en Betsy. Het diende zich afgelopen zomer zo toevallig aan, dat ik niet eens doorhad wat een verhaal het was. Ik begin bij het begin…

13 juni 2016, Scarborough. Een piepklein jachtje trekt onze aandacht, niet alleen vanwege haar felrode kleur, maar ook omdat ze een beetje lijkt op een Pandora 22, het eerste zeiljachtje van mijn vader. Op een avond zeilt ze uit, uren later peddelt haar schipper haar geduldig terug naar haar ligplaats. De wind is gevallen, ze heeft geen motor…

Lerwick, dik twee weken later. We varen de overvolle haven binnen, moeten afmeren als derde langszij, niemand aan boord. Een man haast zich van op het ponton, klauterend over de twee boten, muts en kap diep over het hoofd getrokken, om ons te komen helpen. Terwijl we in de weer zijn met de lijnen zie ik een eindje verderop plots het rode bootje uit Scarborough, mijn blik gaat terug naar onze helpende zeiler en ik herken hem als haar schipper. He you! Yes, me, grijnst hij. Later bij een glas wijn kletsen we de avond weg. Wij steken onze bewondering niet onder stoelen of banken, hij blijft er bescheiden bij. Over de plannen met zijn Betsy -zo heet het jachtje- blijft hij vaag. Betsy is een Corribee 21, 6,30 m lang. Ergens op een hoekje papier noteer ik de gegevens van zijn blog. Ik kan er een link naar een tracker vinden, zegt hij. Elke 24h stuurt hij een positie, als geruststelling voor familie en vrienden. Een dag later blijken ze vertrokken. In stilte.

13 juli, Arbroath. Ik zit te wachten op de havenmeester die de geblokkeerde wasmachinedeur gaat openmaken. In die wasmachine zit mijn was, dus ja.. Het clubhuis is niet meer dan een verbeterde container, er staat een tafel en stoelen en op een kastje ligt een stapel boeken, de zeilersbibliotheek… Mijn oog valt op een beduimeld boek, de biografie van Ellen MacArthur, de illustere zeilster. Ik blader het door tot een foto mijn aandacht trekt. De nog piepjonge Ellen op een helrood bootje, de Iduna. Dat ranke jachtje, waarmee ze als achttienjarige solo rond Engeland zeilt, is een Corribee 21.

Een Corribee 21? Wacht eens even… Guy Waites! Betsy! Ik vind het blaadje met de link naar zijn blog terug en klik door naar zijn positie. Wow, hij vaart al ten noorden van de Hebriden, zou hij solo een rondje Engeland gaan doen?

Groot is mijn verbazing als ik enkele dagen later zie hoe de blauwe stippen op de tracker zich aaneenrijgen tot een snoer dat ver ten westen van Schotland reikt. Varen zij nu gewoon de Atlantische Oceaan op? Vanaf dat moment kijk ik bijna dagelijks naar de tracker. Ik begin ook de blog te lezen, een gedetailleerd verslag van vier jaar minutieuze voorbereiding. Guy is niet aan zijn proefstuk toe, eerder zeilde hij de oceaan over met een Contessa 26, Red Admiral.

Dag na dag kruipen de blauwe stippen naar de overkant. Op een dag is er niet enkel een blauwe stip bijgekomen, maar ook een envelopje. Een korte boodschap licht op. Betsy and I were capsized today, we are both OK and will continue once we have ridden out this storm. Jeetje! In de komende dagen volgen nog meer boodschappen, de ene storm na de andere raast over het tweetal. Soms vorderen ze tergend langzaam, soms wijkt het bootje helemaal van haar koers af, er komt een bericht dat de voorraad zoet water niet lang meer reikt. Het snoer van blauwe stippen, de envelopjes, het lijkt wel een thriller!

Elke morgen bij het opstaan, kijk ik als een bezorgde mama hoe het de twee vergaat en eind augustus, na 56 dagen op zee, blijkt kleine Betsy aangekomen in Newport, US! Guy Waites zeilde solo de noordelijke Atlantische Oceaan over, in een bootje van 6,30m, zonder motor, zonder geavanceerde apparatuur…

Zo begon vier jaar geleden dit verhaal dat als een rode draad onze zomer doorkruiste…

En het verhaal gaat verder. In het voorjaar zeilt hij zijn Betsy terug naar Engeland. Zomaar even weer die hele oceaan over. En intussen smeedt hij nieuwe plannen met een andere boot… Of hij met opzet weer een rode boot gekozen heeft, vraag ik hem. Nee, niet echt.  Red Admiral was rood. Betsy was wit toen hij ze kocht, maar onder haar witte verf ontdekte hij toevallig oude rode gelcoat. En Showtime is gewoon toevallig ook rood. Toeval bestaat niet, denk ik dan…

Halfpenny Pier, Harwich

Southwold-Harwich en Harwich-home!

34 mijl naar Harwich, onze laatste tussenstop tot thuis…  ‘Haast’ zou ik het niet durven noemen. Maar bekend vaarwater en een we-zijn-bijna-thuis-gevoel verandert ons onmerkbaar. Jawel, we zijn nog oplettend. En ja hoor, we trimmen onze zeilen nog. Maar in het logboek bijhouden worden we nonchalanter. En mijn aandacht voor de omgeving verflauwt. Ik ben net op dreef geraakt in een boek dat ik voor de vakantie gekocht had om te lezen in de Shetlands. De Vlamberken. Maar toen we daar waren, kwam ik niet aan lezen toe. Nu heeft het spannende verhaal mij in zijn greep.

Het vertrek uit Southwold is nog even spannend, bij de havenuitgang staat flink wat stroom. Maar alles gaat goed. Alleen voor de vuurtoren van Orford Ness haal ik nog even mijn camera bovendeks en dat is het.

In Harwich kun je overnachten in Shotley marina, een naar mijn gevoel beetje saaie jachthaven. Je kan ook de river Orwell opvaren tot aan Suffolk Yacht harbour of Woolverstone marina. Zowel op de river Orwell (rechtdoor) of de river Stour (bakboord uit) kun je aan een boei gaan liggen of ankeren. Maar minstens zo charmant is de Halfpenny Pier van Harwich. De pier dankt zijn naam aan de tol van een halve penny die hier ruim 160 jaar geleden geïnd werd. Maar je moet een beetje geluk hebben want veel ruimte voor jachten is er niet. Wij meren af op de plaats van de ferry. Na 6:00 pm vaart die niet meer en de volgende dag gaan we bij het krieken van de dag vertrekken, dus voor een nachtje kan het wel. All yachts prohibited laten we even voor wat het is… Ik hou van de sfeer hier.

We heffen een glaasje -ik ben jarig!- als we plots een ongewoon zoemend geluid horen. Boven ons zweeft iets als een klein ruimtetuigje -verhip, een drone!-, hangt even stil en maakt dan vliegensvlug rechtsomkeer. Een raar gevoel, zo vanuit de lucht bekeken worden. Maar ‘ieder nadeel heb ze voordeel’ en ik por Las om de bestuurder van de drone te gaan zoeken, ver kan die niet zijn. En inderdaad, op een bankje op de pier zit een man zijn gadget te besturen. En vinden we onderstaande foto’s amper een dag later in onze mailbox!

Op deze foto’s zie je hoe dit antieke stukje Harwich iets weg heeft van een dorp op een schiereilandje. Wat een contrast met Felixstowe aan de overkant, de drukste containerhaven van Groot-Brittannië. Niet te missen in Harwich is de gezellige Alma Inn, waar je lekker kan eten, wat dacht je van gegratineerde oesters of een gegrild kreeftje?

En dan is daar onze laatste tocht, 78 mijl naar Nieuwpoort. Beetje zeilen, beetje halfwinder, beetje motor en voor we het beseffen zijn we terug thuis. Zes zalige weken liggen achter ons. Het smaakt naar meer…

Nachtzeilen schept een band

Ik moet het toegeven. Een mens is soms te snel met een oordeel.

In Arbroath ligt een boot, de Fidelia. Wanneer met het opkomend tij de poort van de marina opengaat, varen ze uit. Wij ook.

In Eyemouth -we zijn zelf net afgemeerd- komt een boot langszij bij ons. He, de Fidelia! Veel meer dan een korte babbel komt er niet. Je hoeft niet de hele wereld op de koffie te vragen, maar toch, dit is weinig. We verzuchten even dat het toch anders was in Orkney, Fair Isle en Shetland. Daar sprak iedereen iedereen. We waren er ook met minder. Ik weet het niet, ongemerkt is daar dat oordeel.

En dan komen we toe in Amble. Oh, kijk, daar ligt Fidelia alweer, een flink eind bij ons vandaan. De man gaat de mast in, een klus moet geklaard. Zo gaat dat in een haven, je kijkt, je ziet dingen. Neemt er zelfs even de verrekijker bij. Zwaait. Maar al zijn we nu in de derde marina samen afgemeerd, tot een babbel komt het niet. Als we van een lange wandeldag terug aan boord komen, blijkt Fidelia alweer vertrokken.

Een dag later. Het is dik na middernacht als we door de brug kunnen om Whitby marina binnen te varen. Aan het wachtponton voor de brug ben ik onder de doghouse in slaap gesukkeld, de marifoon wekt me. Bijna op de tast sluipen we de marina in. Wat is het moeilijk om een plek te vinden in het donker. Maar kijk, het eind van het ponton, bakboord is nog vrij. Zo stil als we kunnen manoeuvreren we ons op onze plaats. He, is dat niet de Fidelia naast ons? Wat een toeval. We slapen uit en als we opstaan is Fidelia verlaten.

Twee dagen later, we gaan van Whitby naar Lowestoft varen, 150 mijl ver. Pas om 1:30 pm gaat de brug open. In de voormiddag, in afwachting van ons vertrek, knip ik het haar van Las op het ponton. “Nice, really professionally done,” klinkt het lachend. Aha, er is toch beweging op de Fidelia. Ze gaan ook naar Lowestoft. Ook 150 mijl ver. En aangezien we allebei afhankelijk zijn van de opening van de brug, vertrekken we op precies hetzelfde moment.

We varen met wel twaalf boten Whitby buiten. Tien doen er mee aan de weekend regatta, twee gaan er naar Lowestoft, Fidelia en wij.

Ze blijven ons voor. Een snedige boot is het wel. De wind maakt bokkesprongen, nu eens varen we halve wind, dan aan de wind, dan moeten we overstag omdat de wind veertig graden shift. Telkens worden die grillen voorspeld door Fidelia die haar zeilen bijstelt, haar koers verlegt. Wij volgen als een schaduw.

Na het avondeten wordt de wind stabieler, we varen halve wind. Hela, daar gaat hun gennaker de lucht in. Dat werkt op ons als een rode lap op een stier. We sleuren ook voor het eerst in vijf weken onze gennaker aan dek. Prachtig zeilen is het, net voor het donker wordt, nog ruim twee uur onder halfwinder. Tot de wind wegvalt en de kleurige ballonnen inzakken als mislukte soufflees.

Lowestoft, de Royal Norfolk & Suffolk marina. We lopen de monumentale club binnen en de eerste persoon die ons pad kruist is de schipster van de Fidelia. Bijna omhelst ze ons. “Wat een prachtige nachttocht was dat,” lacht ze “die bijna volle maan, en de zonsopgang, en zo geruststellend om het met twee te doen!” Ze tovert mooie foto’s van onze boot onder gennaker uit haar Ipad tevoorschijn en nodigt ons uit voor een glas aan boord.

We hebben alle vier niet veel geslapen, maar plots komt aan het kletsen geen eind. Biertje na biertje worden zeilverhalen uitgewisseld. Jo en Mal(colm). Pas na vijf jachthavens spreken we mekaar met de voornaam aan.

 

 

Blijven gaan, Miss Lindsay

“We waren nooit dichter bij een echtscheiding dan sinds we die boot kochten…” verzucht Kathleen. Pretoogjes en een glimlach verraden gelukkig een charmant gevoel voor overdrijving. Haast nog charmanter is haar smeuïge Schots accent. Ian kijkt haar liefdevol aan en haalt verontschuldigend zijn schouders op.

13 juli 2016

De havenmeester is al lang naar huis wanneer we tegen tienen Amble binnenlopen. In een brievenbus op het meldponton vinden we een envelop met brochure van Amble en omgeving, een magneetkaart voor poort en douche en een havenplan, met daarop de vrije ligplaatsen. In verschillende kleurtjes volgens de lengtes van de boten. Wow, hier is over nagedacht! Op de enige vrije plek, op de kop van een ponton, ligt al een jachtje. Als dat nu een beetje opschuift, kunnen wij er nog bij. Het Schotse stel heeft motorpech gehad, en toen viel ook nog de wind weg, ze hadden een dag vol stress achter de rug en leken een beetje van de kaart. Als zij hoort dat wij al vijf weken onderweg zijn en op terugweg van de Shetlands, staart ze me ongelovig aan. “How did you survive?” Ik moet er wat om lachen. Ze heeft zo veel vragen, zegt ze nog.

14 juli 2016

Die vragen vuurt ze nu af, bij een etentje bij ons aan boord. Puree met gestoofde prei, lenteuitjes en platte peterselie, een stukje zalm.

Hun verhaal. Niemand van familie of vrienden had iets met boten, zeilen of de zee. Maar zij waren er allebei op onverklaarbare wijze door gefascineerd. Waar ze ook met vakantie gingen, ze eindigden altijd bij de jachthaven, betoverd door die boten. Maar ook altijd met de gedachte dat het een onbereikbare wereld was. Toen hun kinderen op een dag de vleugels uitsloegen, wilden ze eindelijk iets voor zichzelf gaan doen. Zij leerde ‘french horn’ spelen, hij kocht een bootje. Dat bootje was zo klein dat ze apart moesten slapen en werd al gauw ingeruild voor een iets groter modelletje. Hun ervaring was beperkt tot wat meezeilen met anderen, zeillessen hadden ze niet genomen.

En nu zijn ze op vakantie, met die boot. Dag twee van drie weken. En het vlot moeizaam. Vooral zij kijkt tegen het hele zeilgedoe aan als tegen een metershoge golf.

“En toen ik jou daar zo vrolijk en ontspannen in een hagelwit t-shirt over het ponton zag lopen,” gaat ze verder op volmaakt dramatische wijze, “terwijl je al vijf weken onderweg bent, vraag ik mij af hoe je dat doet.” “You make it look so do-able…” Do-able. Dat klinkt leuk. Doenbaar dus?

Nu gebiedt de waarheid me te zeggen dat we tot hiertoe vooral gekleed liepen in thermisch ondergoed en dikke truien en dat het vandaag voor het eerst echt t-shirt-weer is. En dat dit exemplaar gewoon nieuw is, vlak voor vertrek gekocht. Dat het nog spierwit is, daar heb ik echt geen verdienste aan.

De vragen blijven komen, over navigatie, zeeziekte, zelfvertrouwen, eten en koken aan boord… Een derde fles wijn wordt ontkurkt. En dan haar meest prangende vraag, het hoofd een beetje schuin, bijna fluisterend: “Hoe houd je het vol…? Als koppel…?”

De vraag zweeft boven de tafel, blijft hangen. Stilte. Even nadenken.

Met geduld, denk ik. Zonder schreeuwen of verwijten. Met het nodige overleg, en een ongedwongen taakverdeling waar elk zich goed bij voelt. En met de geruststellende gedachte dat elke storm uiteindelijk wel gaat liggen. En het besef dat je nooit volleerd bent in het zeilen, en dat elk tochtje, hoe klein ook, altijd meer ervaring oplevert. En als je denkt op alles voorbereid te zijn, gebeurt dan toch dat ene, waar je niet op voorbereid was. Dus ja…

15 juli 2016

Dag drie van hun vakantie lijkt goed in te zetten. We zien ze flink opkruisen naar Blyth, wij varen door naar Whitby. Miss Lindsay vaart mooi, haar boeg doorklieft dapper de golven, het donkerblauwe water breekt in schuimend kristal. Kathleen en Ian wuiven naar ons. Door mijn telelens zie ik ze lachen.