Van vlaggetjes en superjachten

Zaterdag 10 februari 2017

Vandaag vindt de winterontmoeting van de Breehornzeilers plaats, ‘ons Hollands clubje’ zoals ik ze voor de gezelligheid noem. Dit keer gaat de bijeenkomst van Breehorn-eigenaren door in Vollenhove, in een eeuwenoud landgoed, het statige Oldruitenborgh.

Niet meteen een omgeving voor zeilers zie ik jullie denken. Maar het bootgehalte ligt hier in Vollenhove hoger dan je zou denken. Daarover straks meer.

In de voormiddag gaat de jaarvergadering door. Ook krijgen we een nieuw clubvlaggetje. Fijn is dat het ontwerp ervan even toegelicht wordt. De blauw en witte strepen staan voor zee en golven, het gele vlak voor de zandbank Breehorn waar onze boten naar genoemd zijn en daarop het logo van de werf. De Breehorn zandbank of plaat ligt in het Amsteldiep, Noord-Holland, niet meteen vertrouwd vaarwater voor ons.

Na de lunch ruilen we de grandeur van het landgoed in voor nog veel meer grandeur. Want de Breehornzeilers hebben voor deze winterontmoeting een bezoek geregeld aan de bedrijven Rondal en Royal Huisman Shipyard. Rondal maakt masten, gieken, winchen, luiken en meer fraais voor superjachten, Royal Huisman Shipyard bouwt die superjachten.. En zo kunnen we eens binnengluren in de wondere wereld van de mega-jachten voor superrijken. De oh’s en ah’s zijn niet van de lucht. Alles is zo buitenproportioneel dat het voor ons, met onze bescheiden jachtjes, haast onwerkelijk is. Een mast, zes keer zo lang als onze hele boot. Kostprijs van al dat moois een veelvoud van onze bootjes… per lopende meter welteverstaan. Indrukwekkend is een understatement. ‘If you can dream it, we can build it’, luidt het bij Huisman. Ja, ja..

Bijzonder vind ik de loods waar een volledig interieur wordt opgebouwd. Dit gebeurt nog niet in het schip zelf maar alles is wel helemaal op maat. Er staat dus een fictief stuk schip met daarin alles wat uiteindelijk in het superjacht komt. Op alle onderdelen zie ik kleine labels met codes. Wat moet dit strak georganiseerd zijn. Overal mogen we rondkijken, onze vragen worden uitgebreid beantwoord, maar foto’s nemen mag niet. Gelukkig is er nog altijd internet…

Bij de borrel wordt er nog wat nagedroomd. En ja, ook dit jaar was er de fotowedstrijd. Werd mijn foto vorig jaar de favoriet, dit keer haalden mijn inzendingen de eindselectie niet. De winnende foto werd ingezonden door de eigenaar van een Breehorn 41 die afgelopen zomer een prachtige reis naar de Azoren maakte.

Pittig detail, zijn boot heet Playmobil… Vergeleken met de superjachten van Huisman lijken onze boten inderdaad wel speelgoed. Maar wij koesteren ze. En nemen zelfs de moeite om -zowat halverwege het zeilseizoen- een uit de naden gewaaid clubvlaggetje liefdevol de nodige herstelling te geven. Intussen zit hier in Vollenhove de winterontmoeting er op, zorgvuldig vouw ik ons kersverse clubvlaggetje op en stop het in mijn handtas. Dat kan binnen enkele weken het want in. En naar verluidt zou het van een sterkere stof gemaakt zijn dan voordien. Het geluk zit in kleine dingen…

 

Betsy

Elke boot heeft een verhaal. Elke boot vaart haar verhaal. Sommige verhalen krijgen zeeën van aandacht en verdienen die ook. Maar er zijn heel gewone zeilers die heel straffe dingen doen, al heten ze niet Armel Le Cléac’h en winnen ze geen Vendée Globe. Hier komt het ongelooflijke maar waar gebeurde verhaal van Guy Waites en Betsy. Het diende zich afgelopen zomer zo toevallig aan, dat ik niet eens doorhad wat een verhaal het was. Ik begin bij het begin…

13 juni 2016, Scarborough. Een piepklein jachtje trekt onze aandacht, niet alleen vanwege haar felrode kleur, maar ook omdat ze een beetje lijkt op een Pandora 22, het eerste zeiljachtje van mijn vader. Op een avond zeilt ze uit, uren later peddelt haar schipper haar geduldig terug naar haar ligplaats. De wind is gevallen, ze heeft geen motor…

Lerwick, dik twee weken later. We varen de overvolle haven binnen, moeten afmeren als derde langszij, niemand aan boord. Een man haast zich van op het ponton, klauterend over de twee boten, muts en kap diep over het hoofd getrokken, om ons te komen helpen. Terwijl we in de weer zijn met de lijnen zie ik een eindje verderop plots het rode bootje uit Scarborough, mijn blik gaat terug naar onze helpende zeiler en ik herken hem als haar schipper. He you! Yes, me, grijnst hij. Later bij een glas wijn kletsen we de avond weg. Wij steken onze bewondering niet onder stoelen of banken, hij blijft er bescheiden bij. Over de plannen met zijn Betsy -zo heet het jachtje- blijft hij vaag. Betsy is een Corribee 21, 6,30 m lang. Ergens op een hoekje papier noteer ik de gegevens van zijn blog. Ik kan er een link naar een tracker vinden, zegt hij. Elke 24h stuurt hij een positie, als geruststelling voor familie en vrienden. Een dag later blijken ze vertrokken. In stilte.

13 juli, Arbroath. Ik zit te wachten op de havenmeester die de geblokkeerde wasmachinedeur gaat openmaken. In die wasmachine zit mijn was, dus ja.. Het clubhuis is niet meer dan een verbeterde container, er staat een tafel en stoelen en op een kastje ligt een stapel boeken, de zeilersbibliotheek… Mijn oog valt op een beduimeld boek, de biografie van Ellen MacArthur, de illustere zeilster. Ik blader het door tot een foto mijn aandacht trekt. De nog piepjonge Ellen op een helrood bootje, de Iduna. Dat ranke jachtje, waarmee ze als achttienjarige solo rond Engeland zeilt, is een Corribee 21.

Een Corribee 21? Wacht eens even… Guy Waites! Betsy! Ik vind het blaadje met de link naar zijn blog terug en klik door naar zijn positie. Wow, hij vaart al ten noorden van de Hebriden, zou hij solo een rondje Engeland gaan doen?

Groot is mijn verbazing als ik enkele dagen later zie hoe de blauwe stippen op de tracker zich aaneenrijgen tot een snoer dat ver ten westen van Schotland reikt. Varen zij nu gewoon de Atlantische Oceaan op? Vanaf dat moment kijk ik bijna dagelijks naar de tracker. Ik begin ook de blog te lezen, een gedetailleerd verslag van vier jaar minutieuze voorbereiding. Guy is niet aan zijn proefstuk toe, eerder zeilde hij de oceaan over met een Contessa 26, Red Admiral.

Dag na dag kruipen de blauwe stippen naar de overkant. Op een dag is er niet enkel een blauwe stip bijgekomen, maar ook een envelopje. Een korte boodschap licht op. Betsy and I were capsized today, we are both OK and will continue once we have ridden out this storm. Jeetje! In de komende dagen volgen nog meer boodschappen, de ene storm na de andere raast over het tweetal. Soms vorderen ze tergend langzaam, soms wijkt het bootje helemaal van haar koers af, er komt een bericht dat de voorraad zoet water niet lang meer reikt. Het snoer van blauwe stippen, de envelopjes, het lijkt wel een thriller!

Elke morgen bij het opstaan, kijk ik als een bezorgde mama hoe het de twee vergaat en eind augustus, na 56 dagen op zee, blijkt kleine Betsy aangekomen in Newport, US! Guy Waites zeilde solo de noordelijke Atlantische Oceaan over, in een bootje van 6,30m, zonder motor, zonder geavanceerde apparatuur…

Zo begon vier jaar geleden dit verhaal dat als een rode draad onze zomer doorkruiste…

En het verhaal gaat verder. In het voorjaar zeilt hij zijn Betsy terug naar Engeland. Zomaar even weer die hele oceaan over. En intussen smeedt hij nieuwe plannen met een andere boot… Of hij met opzet weer een rode boot gekozen heeft, vraag ik hem. Nee, niet echt.  Red Admiral was rood. Betsy was wit toen hij ze kocht, maar onder haar witte verf ontdekte hij toevallig oude rode gelcoat. En Showtime is gewoon toevallig ook rood. Toeval bestaat niet, denk ik dan…

Hoog en droog

Vier jaar geleden rond deze tijd van het jaar mailde mijn oudste zus Sandra mij een gedicht. Christmas at Sea van Robert Louis Stevenson. Dat ze het wel iets voor mij vond, zo schreef ze. Robert Louis Stevenson, die kennen we vooral (of alleen?) van Treasure Island, een zeeroversroman van dik honderddertig jaar oud, zeg maar de oerversie van Pirates of the Carribean. Stevenson, geboren in Edinburgh, Schotland, was niet alleen een begenadigd schrijver maar ook -ondanks zijn zwakke gezondheid- een avonturier. Hij leefde enkele jaren in Samoa, in de Stille Zuidzee. De Samoanen noemden hem Tusitala, wat zo veel wil zeggen als verteller van verhalen. Hij was amper 44 toen hij stierf.

Christmas at Sea gaat niet over piraten, en ook niet over tropische eilanden. Het beschrijft de mijmeringen van een bemanningslid aan boord van een zeilschip, opkruisend voor de kust tegen een ijzige wind in. Met Kerstmis… Het gaat over het barre zeeleven, maar ook over afscheid nemen, en ouder worden. Over dingen die voorbij gaan.

De kalkoen is nog maar net verteerd, glanzende kerstballen weerspiegelen het knetterend houtvuur, het is warm in huis. Bij het lezen voel ik de bittere kou, ik nestel me in mijn dekentje.

Christmas at Sea inspireerde ook Sting voor een lied. Je vindt het terug op If on a Winter’s Night, een nogal aparte cd. Ver weg, de Message in a Bottle van The Police. De cd is een eigenzinnige mengeling van winters getinte nummers met invloeden uit de Middeleeuwen, Barok, Angelsaksische folk. Niet erg toegankelijk wegens nogal somber en donker. Maar misschien moet je gewoon eens luisteren of je het wat vindt… Winters klinkt het zeker.

De afgelopen jaren brachten we de dagen van oud op nieuw door op de boot. Dit jaar niet. Eind november gingen we uit het water. En gaan er pas in maart terug in. Deze winter staat ons schip hoog en droog…

img_5398

img_5403

img_5406

CHRISTMAS AT SEA

The sheets were frozen hard, and they cut the naked hand;
The decks were like a slide, where a seamen scarce could stand;
The wind was a nor’wester, blowing squally off the sea;
And cliffs and spouting breakers were the only things a-lee.

They heard the surf a-roaring before the break of day;
But ‘twas only with the peep of light we saw how ill we lay.
We tumbled every hand on deck instanter, with a shout,
And we gave her the maintops’l, and stood by to go about.

All day we tacked and tacked between the South Head and the North;
All day we hauled the frozen sheets, and got no further forth;
All day as cold as charity, in bitter pain and dread,
For very life and nature we tacked from head to head.

We gave the South a wider berth, for there the tide-race roared;
But every tack we made we brought the North Head close aboard:
So’s we saw the cliffs and houses, and the breakers running high,
And the coastguard in his garden, with his glass against his eye.

The frost was on the village roofs as white as ocean foam;
The good red fires were burning bright in every ‘long-shore home;
The windows sparkled clear, and the chimneys volleyed out;
And I vow we sniffed the victuals as the vessel went about.

The bells upon the church were rung with a mighty jovial cheer;
For it’s just that I should tell you how (of all days in the year)
This day of our adversity was blessed Christmas morn,
And the house above the coastguard’s was the house where I was born.

O well I saw the pleasant room, the pleasant faces there,
My mother’s silver spectacles, my father’s silver hair;
And well I saw the firelight, like a flight of homely elves,
Go dancing round the china-plates that stand upon the shelves.

And well I knew the talk they had, the talk that was of me,
Of the shadow on the household and the son that went to sea;
And O the wicked fool I seemed, in every kind of way,
To be here and hauling frozen ropes on blessed Christmas Day.

They lit the high sea-light, and the dark began to fall.
“All hands to loose topgallant sails,” I heard the captain call.
“By the Lord, she’ll never stand it,” our first mate Jackson, cried.
…”It’s the one way or the other, Mr. Jackson,” he replied.

She staggered to her bearings, but the sails were new and good,
And the ship smelt up to windward just as though she understood.
As the winter’s day was ending, in the entry of the night,
We cleared the weary headland, and passed below the light.

And they heaved a mighty breath, every soul on board but me,
As they saw her nose again pointing handsome out to sea;
But all that I could think of, in the darkness and the cold,
Was just that I was leaving home and my folks were growing old.

By Robert Louis Stevenson (1850-94).

 

Nachtzeilen schept een band

Ik moet het toegeven. Een mens is soms te snel met een oordeel.

In Arbroath ligt een boot, de Fidelia. Wanneer met het opkomend tij de poort van de marina opengaat, varen ze uit. Wij ook.

In Eyemouth -we zijn zelf net afgemeerd- komt een boot langszij bij ons. He, de Fidelia! Veel meer dan een korte babbel komt er niet. Je hoeft niet de hele wereld op de koffie te vragen, maar toch, dit is weinig. We verzuchten even dat het toch anders was in Orkney, Fair Isle en Shetland. Daar sprak iedereen iedereen. We waren er ook met minder. Ik weet het niet, ongemerkt is daar dat oordeel.

En dan komen we toe in Amble. Oh, kijk, daar ligt Fidelia alweer, een flink eind bij ons vandaan. De man gaat de mast in, een klus moet geklaard. Zo gaat dat in een haven, je kijkt, je ziet dingen. Neemt er zelfs even de verrekijker bij. Zwaait. Maar al zijn we nu in de derde marina samen afgemeerd, tot een babbel komt het niet. Als we van een lange wandeldag terug aan boord komen, blijkt Fidelia alweer vertrokken.

Een dag later. Het is dik na middernacht als we door de brug kunnen om Whitby marina binnen te varen. Aan het wachtponton voor de brug ben ik onder de doghouse in slaap gesukkeld, de marifoon wekt me. Bijna op de tast sluipen we de marina in. Wat is het moeilijk om een plek te vinden in het donker. Maar kijk, het eind van het ponton, bakboord is nog vrij. Zo stil als we kunnen manoeuvreren we ons op onze plaats. He, is dat niet de Fidelia naast ons? Wat een toeval. We slapen uit en als we opstaan is Fidelia verlaten.

Twee dagen later, we gaan van Whitby naar Lowestoft varen, 150 mijl ver. Pas om 1:30 pm gaat de brug open. In de voormiddag, in afwachting van ons vertrek, knip ik het haar van Las op het ponton. “Nice, really professionally done,” klinkt het lachend. Aha, er is toch beweging op de Fidelia. Ze gaan ook naar Lowestoft. Ook 150 mijl ver. En aangezien we allebei afhankelijk zijn van de opening van de brug, vertrekken we op precies hetzelfde moment.

We varen met wel twaalf boten Whitby buiten. Tien doen er mee aan de weekend regatta, twee gaan er naar Lowestoft, Fidelia en wij.

Ze blijven ons voor. Een snedige boot is het wel. De wind maakt bokkesprongen, nu eens varen we halve wind, dan aan de wind, dan moeten we overstag omdat de wind veertig graden shift. Telkens worden die grillen voorspeld door Fidelia die haar zeilen bijstelt, haar koers verlegt. Wij volgen als een schaduw.

Na het avondeten wordt de wind stabieler, we varen halve wind. Hela, daar gaat hun gennaker de lucht in. Dat werkt op ons als een rode lap op een stier. We sleuren ook voor het eerst in vijf weken onze gennaker aan dek. Prachtig zeilen is het, net voor het donker wordt, nog ruim twee uur onder halfwinder. Tot de wind wegvalt en de kleurige ballonnen inzakken als mislukte soufflees.

Lowestoft, de Royal Norfolk & Suffolk marina. We lopen de monumentale club binnen en de eerste persoon die ons pad kruist is de schipster van de Fidelia. Bijna omhelst ze ons. “Wat een prachtige nachttocht was dat,” lacht ze “die bijna volle maan, en de zonsopgang, en zo geruststellend om het met twee te doen!” Ze tovert mooie foto’s van onze boot onder gennaker uit haar Ipad tevoorschijn en nodigt ons uit voor een glas aan boord.

We hebben alle vier niet veel geslapen, maar plots komt aan het kletsen geen eind. Biertje na biertje worden zeilverhalen uitgewisseld. Jo en Mal(colm). Pas na vijf jachthavens spreken we mekaar met de voornaam aan.