Van vlaggetjes en superjachten

Zaterdag 10 februari 2017

Vandaag vindt de winterontmoeting van de Breehornzeilers plaats, ‘ons Hollands clubje’ zoals ik ze voor de gezelligheid noem. Dit keer gaat de bijeenkomst van Breehorn-eigenaren door in Vollenhove, in een eeuwenoud landgoed, het statige Oldruitenborgh.

Niet meteen een omgeving voor zeilers zie ik jullie denken. Maar het bootgehalte ligt hier in Vollenhove hoger dan je zou denken. Daarover straks meer.

In de voormiddag gaat de jaarvergadering door. Ook krijgen we een nieuw clubvlaggetje. Fijn is dat het ontwerp ervan even toegelicht wordt. De blauw en witte strepen staan voor zee en golven, het gele vlak voor de zandbank Breehorn waar onze boten naar genoemd zijn en daarop het logo van de werf. De Breehorn zandbank of plaat ligt in het Amsteldiep, Noord-Holland, niet meteen vertrouwd vaarwater voor ons.

Na de lunch ruilen we de grandeur van het landgoed in voor nog veel meer grandeur. Want de Breehornzeilers hebben voor deze winterontmoeting een bezoek geregeld aan de bedrijven Rondal en Royal Huisman Shipyard. Rondal maakt masten, gieken, winchen, luiken en meer fraais voor superjachten, Royal Huisman Shipyard bouwt die superjachten.. En zo kunnen we eens binnengluren in de wondere wereld van de mega-jachten voor superrijken. De oh’s en ah’s zijn niet van de lucht. Alles is zo buitenproportioneel dat het voor ons, met onze bescheiden jachtjes, haast onwerkelijk is. Een mast, zes keer zo lang als onze hele boot. Kostprijs van al dat moois een veelvoud van onze bootjes… per lopende meter welteverstaan. Indrukwekkend is een understatement. ‘If you can dream it, we can build it’, luidt het bij Huisman. Ja, ja..

Bijzonder vind ik de loods waar een volledig interieur wordt opgebouwd. Dit gebeurt nog niet in het schip zelf maar alles is wel helemaal op maat. Er staat dus een fictief stuk schip met daarin alles wat uiteindelijk in het superjacht komt. Op alle onderdelen zie ik kleine labels met codes. Wat moet dit strak georganiseerd zijn. Overal mogen we rondkijken, onze vragen worden uitgebreid beantwoord, maar foto’s nemen mag niet. Gelukkig is er nog altijd internet…

Bij de borrel wordt er nog wat nagedroomd. En ja, ook dit jaar was er de fotowedstrijd. Werd mijn foto vorig jaar de favoriet, dit keer haalden mijn inzendingen de eindselectie niet. De winnende foto werd ingezonden door de eigenaar van een Breehorn 41 die afgelopen zomer een prachtige reis naar de Azoren maakte.

Pittig detail, zijn boot heet Playmobil… Vergeleken met de superjachten van Huisman lijken onze boten inderdaad wel speelgoed. Maar wij koesteren ze. En nemen zelfs de moeite om -zowat halverwege het zeilseizoen- een uit de naden gewaaid clubvlaggetje liefdevol de nodige herstelling te geven. Intussen zit hier in Vollenhove de winterontmoeting er op, zorgvuldig vouw ik ons kersverse clubvlaggetje op en stop het in mijn handtas. Dat kan binnen enkele weken het want in. En naar verluidt zou het van een sterkere stof gemaakt zijn dan voordien. Het geluk zit in kleine dingen…

 

Bakken aan boord

2 februari, Lichtmis. Er is geen vrouwtje zo arm, of ze maakt haar pannetje warm.

De zes donkere weken van het jaar, drie vóór en drie na Kerstmis, hebben we al even gehad. Heel langzaam krijgen we dag na dag een beetje meer licht. De traditie wil dat je met Lichtmis pannenkoeken bakt, het zou je verzekeren van voorspoed voor de rest van het jaar. Dat geloven we graag en bakken is gezellig zonder meer. Zeker als het buiten guur en somber is. Wat het in ons klimaat zelfs soms in de zomer is…

15 juni 2016. Scarborough. We zijn enkele uren geleden vertrokken voor een tocht naar Wick, het noorden van Schotland. Bij aankomst in Scarborough, twee dagen eerder, was er dikke mist geweest, het leek wel herfst. Een dag later was de hemel strak blauw, de zon straalde. En nu, nog een dag later, lijkt die zomer alweer voorbij. Alles is grijs, het water, de lucht, de boot, wij. Massa’s mijlen liggen voor ons. De miezer gaat over in regen. Dat gaan wel hele lange mijlen worden denk ik dan. Tijd voor iets leuks. ‘Wat dacht je van thee en cake?’, vraag ik mijn schipper. Opklaring!

Dan besef ik dat ik wel wat voortvarend ben. Cake? Bakken? Aan boord? Ik heb niet eens een bakvorm! Geen weegschaal. Geen mixer, en zelfs geen deegkom. Maar ik heb eitjes, suiker, bloem en boter. En appels en rozijntjes.

En ik heb wel meer. Een pannetje met metalen handvat, waarom niet, dat kan zó de oven in. En een maatbeker waar met gekleurde streepjes ook gewichten van bloem en suiker op aangegeven staan. Een slakom kan dienst doen als deegkom…

Ik gok een beetje voor het gewicht van de boter en roer er met een vork 200 gr suiker door. Dan gaan er drie eitjes bij, één voor één. Ten slotte komt er 200 gr zelfrijzende bloem bij.

Nu nog de rozijnen en de in stukjes gesneden appels. Ik vet de binnenkant van de antikleefpan in en bestuif met bloem. De hoeveelheid deeg past wonderwel in de pan! Tenminste, nadat mijn schipper om een proevertje is komen bedelen. Bij ons wordt geen cake gebakken zonder dat er wat gesnoept wordt van het deeg. Onweerstaanbaar vindt hij!

Mijn gasoven aan boord is voorzien van een piepklein schermpje waarop je de temperatuur kan aflezen. Ik laat voorverwarmen tot de wijzer ongeveer op 180°c blijft hangen. Om de cake niet te laten aanbranden, zet ik de pan zo hoog mogelijk. Na ongeveer een half uur ziet het er veelbelovend uit en ruikt het heerlijk in de kajuit… Als ik in midden van de cake een houten tandenstoker prik, komt die er droog uit. Klaar!

Voor helemaal afkoelen is er geen geduld… Een dik plak lauwe cake, een kopje thee, de ideale troost op een regenachtige dag op zee…

Hoog en droog

Vier jaar geleden rond deze tijd van het jaar mailde mijn oudste zus Sandra mij een gedicht. Christmas at Sea van Robert Louis Stevenson. Dat ze het wel iets voor mij vond, zo schreef ze. Robert Louis Stevenson, die kennen we vooral (of alleen?) van Treasure Island, een zeeroversroman van dik honderddertig jaar oud, zeg maar de oerversie van Pirates of the Carribean. Stevenson, geboren in Edinburgh, Schotland, was niet alleen een begenadigd schrijver maar ook -ondanks zijn zwakke gezondheid- een avonturier. Hij leefde enkele jaren in Samoa, in de Stille Zuidzee. De Samoanen noemden hem Tusitala, wat zo veel wil zeggen als verteller van verhalen. Hij was amper 44 toen hij stierf.

Christmas at Sea gaat niet over piraten, en ook niet over tropische eilanden. Het beschrijft de mijmeringen van een bemanningslid aan boord van een zeilschip, opkruisend voor de kust tegen een ijzige wind in. Met Kerstmis… Het gaat over het barre zeeleven, maar ook over afscheid nemen, en ouder worden. Over dingen die voorbij gaan.

De kalkoen is nog maar net verteerd, glanzende kerstballen weerspiegelen het knetterend houtvuur, het is warm in huis. Bij het lezen voel ik de bittere kou, ik nestel me in mijn dekentje.

Christmas at Sea inspireerde ook Sting voor een lied. Je vindt het terug op If on a Winter’s Night, een nogal aparte cd. Ver weg, de Message in a Bottle van The Police. De cd is een eigenzinnige mengeling van winters getinte nummers met invloeden uit de Middeleeuwen, Barok, Angelsaksische folk. Niet erg toegankelijk wegens nogal somber en donker. Maar misschien moet je gewoon eens luisteren of je het wat vindt… Winters klinkt het zeker.

De afgelopen jaren brachten we de dagen van oud op nieuw door op de boot. Dit jaar niet. Eind november gingen we uit het water. En gaan er pas in maart terug in. Deze winter staat ons schip hoog en droog…

img_5398

img_5403

img_5406

CHRISTMAS AT SEA

The sheets were frozen hard, and they cut the naked hand;
The decks were like a slide, where a seamen scarce could stand;
The wind was a nor’wester, blowing squally off the sea;
And cliffs and spouting breakers were the only things a-lee.

They heard the surf a-roaring before the break of day;
But ‘twas only with the peep of light we saw how ill we lay.
We tumbled every hand on deck instanter, with a shout,
And we gave her the maintops’l, and stood by to go about.

All day we tacked and tacked between the South Head and the North;
All day we hauled the frozen sheets, and got no further forth;
All day as cold as charity, in bitter pain and dread,
For very life and nature we tacked from head to head.

We gave the South a wider berth, for there the tide-race roared;
But every tack we made we brought the North Head close aboard:
So’s we saw the cliffs and houses, and the breakers running high,
And the coastguard in his garden, with his glass against his eye.

The frost was on the village roofs as white as ocean foam;
The good red fires were burning bright in every ‘long-shore home;
The windows sparkled clear, and the chimneys volleyed out;
And I vow we sniffed the victuals as the vessel went about.

The bells upon the church were rung with a mighty jovial cheer;
For it’s just that I should tell you how (of all days in the year)
This day of our adversity was blessed Christmas morn,
And the house above the coastguard’s was the house where I was born.

O well I saw the pleasant room, the pleasant faces there,
My mother’s silver spectacles, my father’s silver hair;
And well I saw the firelight, like a flight of homely elves,
Go dancing round the china-plates that stand upon the shelves.

And well I knew the talk they had, the talk that was of me,
Of the shadow on the household and the son that went to sea;
And O the wicked fool I seemed, in every kind of way,
To be here and hauling frozen ropes on blessed Christmas Day.

They lit the high sea-light, and the dark began to fall.
“All hands to loose topgallant sails,” I heard the captain call.
“By the Lord, she’ll never stand it,” our first mate Jackson, cried.
…”It’s the one way or the other, Mr. Jackson,” he replied.

She staggered to her bearings, but the sails were new and good,
And the ship smelt up to windward just as though she understood.
As the winter’s day was ending, in the entry of the night,
We cleared the weary headland, and passed below the light.

And they heaved a mighty breath, every soul on board but me,
As they saw her nose again pointing handsome out to sea;
But all that I could think of, in the darkness and the cold,
Was just that I was leaving home and my folks were growing old.

By Robert Louis Stevenson (1850-94).

 

November. Dresscode: laagjes.

Het is beslist. De boot gaat uit het water. Eind november. Niet voor even, maar voor de hele winter. We hebben tijdelijk meer land- dan zeedingen op onze agenda. Maar vooraleer mijn schipper moet gaan aankijken tegen die muur van maanden zonder varen, gaan we nog eens op zee. Met 11 november op vrijdag hebben we een lang weekend. Hij vindt het geweldig!

Maar de weersvoorspellingen zijn niet echt bemoedigend. De temperaturen gaan niet boven 10°C uitkomen en vanaf zaterdagnamiddag wordt regen voorspeld. Ik weet niet of ik het wel zo geweldig vind.

En dan sluiten we een liefdevol compromis. We zeilen vrijdag en zaterdag en we gaan niet te ver, Duinkerke volstaat.

Op vrijdag rollen we traag voor de wind naar de haven van Duinkerke. Bij aankomst staat de zon al laag, dit zijn de korte dagen van het jaar. Het herfstige avondlicht maakt de niet zo mooie aanloop van Duinkerke een beetje mooier.

Terwijl we nog aan het overleggen zijn of we in de eerste of de tweede jachthaven van Duinkerke gaan liggen, zien we plots dat we niet hoeven te overleggen. De eerste jachthaven is er niet meer! Wat raar. De pontons zijn weg, kale palen staan doelloos in de lege haven.

En uiteraard ligt de achterhaven nu dik gevuld. Gelukkig vinden we nog een plekje. De verwarming snort, de kaarsjes branden, op het gasvuur suddert een stevige schotel osso bucco.

Op zaterdag laat de zon het afweten, guur herfstweer is het. Maar we kunnen recht naar huis, op één oor en met een stevige stroom mee. Warm gekleed zijn is de boodschap en dan gaat er niets boven laagjes. Een laagje ondergoed, een laagje thermisch ondergoed, nog een tussenlaagje met een kasjmier truitje (járen oud, maar niets geeft zo’n gezellige warmte), een steviger fleece en dan een zeilpak. Kousen, laarzen, muts. En hee, we treffen het, regenen doet het pas als we al terug goed en wel afgemeerd liggen in Nieuwpoort.

Ook zin in een dampende osso bucco?

Kalfsschenkels, boter, tomaten, ui, bloem, witte wijn, citroen, look

Haal de stukken vlees vluchtig door wat bloem en laat ze in hete boter een kleurtje krijgen. Laat look en ui in ringen mee bakken. Overgiet met wijn en zet het vuur even hoog. Voeg stukken tomaat, een fijn citroenschilletje en peper en zout toe. 45 ‘ pruttelen. (Er mag ook flink wat peterselie bij, maar die had ik niet mee aan boord…) Lekker met rijst of pasta.

50 worden, dat vraagt om een feestje!

7 november 2016

De regen stroomt met bakken uit de lucht. De hemel heeft de kleur van lood. Je zou haast denken dat de nacht valt. Het is 11:00 ’s ochtends… Het is herfst.

Een week geleden zijn we op winteruur overgeschakeld. Dat kwam hard aan. De mooie nazomer, zonnig en zacht, had zo lang aangehouden. Het was alsof het nooit meer herfst ging worden. Intussen weten we wel beter. ’t Is weer voorbij die mooie zomer, ik hoor het liedje in mijn hoofd. Gerard Cox. Een vleugje weemoed.

’t Is jammer dat het over ging
’t Is allemaal herinnering
Daar doen we dan de hele winter maar weer mee…

Laten we ons warmen aan die herinneringen. Aan verhalen vol passie, verhalen van boten en de zee. Zoals het verhaal van Breehorn. Dit jaar viert de werf haar 50ste verjaardag.

10-11 september 2016

De herfst is nog lang niet in zicht. We rijden (varen kregen we niet meer geregeld) naar Woudsend, Friesland en verbazen ons -weer maar eens- over het mooie landschap hier. Water, watertjes, plassen, vaarten, beekjes, grachten, meren, water. En weiland. Witte zeilen die over het weiland drijven. Wolken die over het weiland zeilen.

Van boten hebben ze kaas gegeten, die Friezen. En in het bijzonder bij Breehorn.

In 1966 start Laus van den Berg samen met zijn vrouw Batje een zeilschool in Elahuizen en gaat al gauw zelf boten bouwen. Polyester valken bouwt hij, een erg populaire boot in Nederland. Er zullen er uiteindelijk -hou je vast- 4.000 gebouwd worden. Eind jaren ’70 ziet Laus een zeiljacht varen dat hem bijzonder bevalt. Eigenaar is André Cordemeyer. En die André Cordemeyer, dat is niet de eerste de beste. Vandaag zouden we hem een designer noemen, toen was dat nog gewoon ontwerper. Hij is niet alleen gepassioneerd vormgever maar ook zeiler, en hij droomt van dé ideale boot, mooi van lijn, snedig op het water en met een strak interieur. Hij geeft Dick Koopmans opdracht om romp en zeilplan te tekenen, en ontwerpt zelf opbouw en interieur. Hij doopt zijn droomschip Breehorn. Drie boten van dit type bouwt Cordemeyer en houdt er dan mee op. Laus, die wég is van het ontwerp, koopt de mal en begint te bouwen. Intussen zijn er tot nu toe 131 Breehorns 37 gebouwd. Begin jaren ’90 komt er ook een 44 voet bij. Zoon Lars stapt mee in het bedrijf. De 41 en 48 voet worden ontwikkeld. En dan komt het bedrijf in woelig vaarwater. Lars verlaat het bedrijf, vader Laus komt te overlijden. In 2011 dreigt een faillissement. Maar Lars keert terug en de werf maakt een doorstart. Inmiddels zijn we 50 jaar en 180 Breehorns verder.

En dit weekend wordt dat gevierd. Met toespraken, vlaggetjes, eten en drinken, workshops. En heel veel Breehorns. De vereniging van Breehornzeilers, dat ‘Hollands clubje’, zoals ik het soms een beetje oneerbiedig noem, en waar we van bij de aankoop van onze Breehorn lid van zijn, heeft voor een mooi geschenk gezorgd. Een kleurrijk fotoboek vol Breehorns met hun bemanning. Glanzende pagina’s met lachende zeilers en hun schip, oud en jong, groot en klein, nieuw en iets minder nieuw, in hun thuishaven of ergens ver weg. Eén ding hebben ze gemeen, ze zijn trots op hun Breehorn, hebben er heel bewust voor gekozen, prijzen zeewaardigheid, vaareigenschappen, comfort. En zijn vol lof over de werf. De ontroering van Lars en zijn mama doet menigeen naar een zakdoek zoeken.

En al is het hier vooral oranje boven, er zijn ook Belgische Breehornzeilers. We kennen al de Jupica uit Nieuwpoort maar ontmoeten hier nu ook de bemanning van de Bluenose en Dance me. En verrassing alom als we Heidi en Tom van Shalom tegen het lijf lopen. Ik had ze al leren kennen op Instagram en nu dus ook in het echt. Het jonge stel kocht een Breehorn 37 en vertrekt in 2017 voor een lange reis. Dat gaan we zeker volgen. ’s Avonds bij het sympathieke schippersmaal wordt heel wat afgekletst. En overnachten doen we in stijl, aan boord bij Renée en Jan-Willem van Iskander, een prachtige Breehorn 41. ’s Morgens worden we door hen met een heerlijk ontbijt verwend.

En dan volgt de apotheose, meer dan 50 Breehorns gaan samen het water op en gaan kiellinie varen. Dit wil zeggen dat ze zo achter elkaar gaan varen dat al hun kielen één lijn vormen. Gemakkelijker gezegd dan gedaan, maar hoe dan ook een indrukwekkend gezicht. Begon de dag nog een tikje somber, al gauw klaart de hemel open en is de zon volop van de partij. Mooier kan deze verjaardag niet afgesloten worden!

Je zou door de windmolens het park niet meer zien

Zondag 14 augustus 2016

Ken je dat nog, een pak watten? Nee, niet de moderne gladde bolletjes in pasteltinten, maar een ouderwets fluffy pak witte watten. Dat je kan opentrekken zodat de witte vezels nog in draden in elkaar blijven haken, een beetje doorschijnend. Het soort watten dat lang geleden in de kerstboom of over de kerststal als sneeuw werd gedrapeerd.

Zo’n pak watten, maar dan een heel erg groot, hangt nu boven ons en filtert de hete zon. Wanneer de bleke rafels te ver uiteen getrokken worden, brandt ze genadeloos. En bestrooit het wateroppervlak met miljoenen schitterende diamanten. Ik schat het dik 25°C. Dit is de Thames monding, half augustus. De wind laat het afweten. Volledig. Als het pak watten zich weer even sluit, koelen we af, dankbaar bijna.

Harwich – Ramsgate, 46 mijl. Wie de vaargidsen er op naleest zou haast schrikken van dit stuk water. Zandbanken, windmolenparken, drukke scheepvaart, stroming. Als je naar de kaart kijkt wordt dat er niet meteen beter op. Maar eigenlijk valt het wel mee, zeker op een dag als vandaag. Van taaie omstandigheden die hier frequent voorkomen, lees: nijdige golfslag bij wind tegen stroom, is geen sprake.

De monding van die machtige Thames. Leg je linkerhand met de handpalm naar beneden op de kaart, noordoost, zuidwest. Je vingers zijn de banken, de ruimtes tussen je vingers de vaarwaters. Hier en daar kan je een doorsteekje maken, afhankelijk van het weer en het getij. Maar bij de les blijven is de boodschap.

Vertrekkend van Harwich gaan we eerst door het Medusa Channel -wat een mooi vaarwater hier-, en dan over de top van Gunfleet Sand. We steken Kings Channel over, gaan ten noorden van Middle Sunk over de bank -diepte in de gaten houden-, en steken de Black Deep over. We kiezen om door Fishermans Gat te varen in plaats van Foulgers Gat wegens iets te laag water naar onze zin.

Aan bakboord strekt het gigantische windmolenpark The London Array zich uit. Op dit moment het grootste offshore windmolenpark ter wereld. Op een oppervlakte van meer dan 100 km2 zetten 175 windmolens wind om in energie voor zo’n 500.000 gezinnen. In de hele Thamesmonding staan er nog meer van die windmolenparken, zoals dat op de zandbank van Gunfleet Sand, pink van je linkerhand. Of The Thanet Wind Farm, nummer drie van de wereld, ten oosten van Margate, je duim wijst er naar. En ten slotte is er, iets meer naar het westen, The Kentish Flats Wind Farm.

Maar vandaag hangen die honderden wieken stil te stoven in de zon. En ook wij komen doorbakken aan in Ramsgate.

Maandag 15 augustus 2016

Vandaag geen onbeweeglijke watten-wolken, maar een blauwe lucht, snel voorschietende wolkjes en een strak windje, net te bezeilen. Op één oor terug naar Nieuwpoort!

 

 

 

Pak die kans en je zult nooit spijt hebben van ‘wat had gekund’.

“Grab a chance and you won’t be sorry for a might have been.”*

Pin Mill. Zaterdag 14 augustus 2016

Hier liggen we dan. Bij het eerste boeitje dat we pakken gaat het niet helemaal goed. Er staat nogal wat wind en onze 13 ton gaat aan de haal met het meertonnetje. Als de boeien hier niet geschikt zijn voor een boot van ons kaliber, zullen we naar een jachthaven moeten. En daar hebben we geen zin in. Een eindje verderop ligt een boei die er wat kloeker uitziet. We wagen onze kans. Het lukt.

Ik kan niet goed uitleggen wat er zo bijzonder is aan deze  plek. Merkwaardig het ver-weg-gevoel dat we hier hebben, op amper een flinke zeildag van onze thuishaven. Is het de stromende rivier, zijn het de beboste heuvels waar landhuizen verscholen gaan achter eeuwenoude bomen, zijn het de oude scheepswrakken, als levenloze walvissen, aangespoeld op de oevers?

Of is het de Butt and Oyster, die iconische pub waar elke zichzelf respecterende zeiler -zittend op de houten banken- al menige ale gedronken heeft? Bij elk biertje gaat het harder waaien en worden de golven hoger. Als je daar zit, ga je vanzelf de ruigste zeemansverhalen verzinnen, al zeilde je nog nooit.

Achter de pub loopt een lommerrijk wandelpad langs de rivier. Bewoonde woonboten, verlaten scheepswrakken en allerlei constructies daar ergens tussenin maken van deze plek een soort maritieme vrijstaat. Nieuwsgierig proberen we een glimp op te vangen van hoe hier geleefd wordt, maar de bewoners blijken nogal op hun privacy gesteld. Met struiken en schuttingen en bordjes ‘private property’ schermen ze hun paradijsjes af.

Van de finaal in de modder gestrande scheepsrompen gaat een zekere treurigheid uit. Ooit moeten dit fiere schuiten zijn geweest, gevaren door stoere zeelui. Nu liggen ze hier roerloos, hun scheepshuiden vaal verkleurd, ten prooi aan weer en wind. Het is van een tristesse die doet denken aan deze muziek van Jóhann Jóhannsson, mooi en droevig tegelijk. (als je van dit soort muziek houdt moet je beslist de hele cd, Fordlandia eens beluisteren…).

Pin Mill. Blij dat we een tweede kans waagden om een boei te pakken. Die boei, middelpunt van 360° uitzicht op de River Orwell, we komen ogen te kort…

* Het citaat in de titel komt uit een jeugdboek ‘We didn’t mean to go to sea’ van Arthur Ransome. Dit verhaal uit 1937 speelt zich af in Pin Mill en gaat over vier kinderen die een avontuurlijke zeiltocht maken. Al was dat aanvankelijk niet hun bedoeling… Een leuke leestip als je van een ouderwets maritiem verhaal houdt. Of waarom niet, luistertip, want je kan het ook als audioboek verkrijgen. Geen leukere manier om je nautisch engels bij te spijkeren! 

 

Vallende sterren zoveel je wil, maar London, vergeet het maar…

Perseus en Andromeda, dat zijn zo’n beetje de Brad Pitt en Angelina Jolie uit de Griekse mythologie, een blits koppel. Perseus was een knappe halfgod met heel wat heldendaden op zijn palmares. Andromeda een schoonheid die bijna aan een zeemonster werd gevoerd, als die dappere Perseus haar niet had gered. Ze werden verliefd, leefden nog lang en gelukkig en kregen vele kindertjes. Maar ook elk een sterrenbeeld. En ieder jaar zo ongeveer halfweg augustus, suist een meteorenregen door het sterrenbeeld van Perseus. Astronomen noemen dat de Perseïden, wij gemakshalve vallende sterren. En mijn schipper wil die zien waar je ze best van al kan zien, op zee..

Donderdag 11 augustus 2016 09:00 pm

En zo vertrekken we uit Nieuwpoort, vier zeildagen in het verschiet en mooi weer op komst.

Kort na ons vertrek klaart de hemel voorzichtig uit en nu, om 02:00 am, barst ze van de sterren. Ondanks het licht van de maan zien we met verbazende regelmaat vallende sterren naar beneden zoeven. Nog een, en nog een. Oh kijk, nog een. En wij maar wensen doen. Een van die wensen is dat het wat sneller mag gaan met de boot. We hadden gerekend en geteld, stroming, wind, het kon wel. Maar de zee wil niet mee. We trappelen haast ter plekke, venijnige korte golfslag dwarsboomt ons plan, rechtstreeks naar London varen… De wind komt meer tegen te zitten dan verwacht. We zetten de motor bij, het maakt bedroevend weinig uit, hoe kán dat nu? En hoe verder de nacht vordert, hoe meer het er naar uit ziet dat het niet zal lukken. Om de Thames in één getij op te varen moeten we bij de Medway boei zijn met laagwater Sheerness en dat halen we niet.

Ongeloof en twijfel. We rekenen en tellen opnieuw. Maar het is wat het is, we haalden onze voorziene gemiddelde snelheid niet. En nu kan het niet meer. Dan worden we boos. Hoe hebben we dat laten gebeuren? Hoe konden we zo stom zijn, waarom zijn we niet vroeger vertrokken? Maar boos zijn lost niets op en we moeten er ons bij neerleggen, het kan niet en dat is zo. Een boot is geen auto, de zee is geen snelweg. Punt. En ten slotte eindigen we met ‘Wat nu?’… En al heel gauw is er een nieuw plan: laten we naar de river Orwell varen.

De sterren blijven vallen, tot aan het eerste ochtendschemer. En wij verleggen onze koers.

Zaterdag 13 augustus 2016

We drijven aan een boei op de Orwell. De rivier heeft iets magisch. We zitten en kijken. En blijven kijken. Het water stroomt voorbij, de tijd stroomt voorbij. Het is warm, het is zomer. Op een rivier verandert alles voortdurend, het licht, de wolken, de boten die zich schikken naar de stroming, niet allemaal tegelijk, maar groepje per groepje, als een dans op het ritme van de rivier.

De dag is al ruim over de helft als we besluiten om toch maar in beweging te komen.

We zeulen het bijbootje aan dek, pompen het op en laten het te water. Op het moment dat Las de buitenboordmotor installeert, wordt zijn aandacht getrokken door een oranje zweem bij de schroef. Wat porren met de pikhaak levert een eerste sliert nylon op. Dan maar duikpak aan en duikbril op, mes in de hand en het water in. Uiteindelijk snijdt Las een kluwen van feloranje taai weefsel van rond onze schroef…

Geen wonder dat we ter hoogte van Margate nauwelijks vooruitgang hadden, ondanks onze motor… Zo zouden we nooit in London geraakt zijn..

Onwillekeurig moet ik even terugdenken aan de Griekse goden. Bemoeiden zij zich niet al te graag met de sterfelijke mens als die te overmoedig werd?

Hoe ver was het nu eigenlijk?

Zoveel zeilers zoveel stijlen. De een houdt minutieus een papieren logboek bij, de ander bewaart elke gevaren track in de boordcomputer, er zijn er die veel varen, maar niets bijhouden. Aan het eind van het zeilseizoen zijn er schippers die het exact aantal gevaren mijlen van hun boot kennen, en ook die van het jaar daarvoor, en het jaar daarvoor. Met een precisie die je ook aantreft bij mensen die de winnaars van het Songfestival of de Tour de France kennen sinds het begin der tijden. Mijn schipper heeft eerder de neiging om na elke zomer te zeggen, ‘We hebben vast en zeker minder gezeild dan vorig jaar’, niet gehinderd door enig ter zake doend cijfermateriaal. Is het nu van zoveel belang, en wat is een mijl? Of anders, de ene mijl is de andere niet. Geen enkele zeiltocht is gelijk. Je kan afzien op korte tochtjes, nijdige golfslag, stroom tegen, lastige wind, regen. Maar je kan evengoed soepel varen, stroom mee, gezapige koers, je verbazend over hoe snel het gaat.

Wij zijn absoluut geen wedstrijdzeilers, maar na een tocht ben ik toch steevast nieuwsgierig naar onze gemiddelde snelheid. Waarbij ik ontnuchterend vaak bij het zelfde getal uitkom…

Sinds drie jaar navigeren we ook op de Ipad met Navionics kaarten. Ik vind het fijn, de lay-out van de kaarten is helder, je kan routes aanmaken, getijden en stroming zijn handig op te volgen. En na een tocht kan je de gevaren track opslaan. Maar dit is weer zo accuraat als je zelf bent. Want als je een haven aanloopt, en in de beslommeringen van ligplaats opzoeken, manoeuvreren en afmeren, je track vergeet op te slaan en dit pas veel later, tijdens het nuttigen van je welverdiende biertje vaststelt, dan slaan die gegevens nergens meer op. (Nee, we vaarden geen 17h20′ over de 34 mijl van Southwold naar Harwich…)

Of als je per abuis je pagina ‘wegveegt’, houdt je track ook daar op. Het is ons zelfs een keer overkomen dat de dikke gele lijn die het gevaren traject aanduidt, plots 180° flipte en ver ten zuiden van Ghana, Afrika in de Golf van Guinea eindigde, vraag me niet waarom.

Het blijft dus nog altijd een hulpmiddel en we blijven onze papieren kaarten altijd trouw.

Dit jaar waren we voor het eerst zes weken weg en dankzij die tijd –wat een luxe- vaarden we verder dan we ooit deden met onze boot. Het was een mooie reis en met de herfst in het verschiet, kijk ik graag terug. Bij het ordenen en sorteren van het foto’s, heb ik ook neiging om onze tracks te ordenen en te sorteren. Ook al omdat iemand me onlangs vroeg hoe ver we gezeild waren en ik eigenlijk niet kon antwoorden. En ook omdat mijn schipper en ik op een keer een discussie hadden over hoeveel nachten we op zee waren voor onze barre tocht van Scarborough naar Peterhead. Las was overtuigd van twee, ik hield het bij drie. Vreemd hoe herinneringen soms een eigen leven gaan leiden en hoe zeiltochten en zeilervaringen individueel zo kunnen verschillen.

Daarom blijf ik het bijhouden van een papieren logboek graag doen, en schrijf er meer in dan alleen maar onze positie of wind, barometer en getij. Als we dolfijnen zien, of een regenboog, als we radiocontact hebben met een ander schip. Soms maak ik zelfs aantekeningen van wat ik kook.

En nu heb ik toch maar eens al onze tochten en tochtjes in kaart gebracht, van Nieuwpoort tot het noorden van Shetland en terug. 1.650 mijl hebben we gevaren. In 22 tochten en tochtjes. De kortste tocht was 3 mijl, de langste 357 mijl. We vaarden twee keer een nacht door, twee keer twee nachten en een keer drie nachten. De snelste tocht was die van Fair Isle naar Lerwick. En we legden flink wat mijlen meer af door het water dan op de kaart. En ons gemiddelde snelheid, die kwam maar iets boven de 5 knopen uit. Ik had het kunnen weten…

Halfpenny Pier, Harwich

Southwold-Harwich en Harwich-home!

34 mijl naar Harwich, onze laatste tussenstop tot thuis…  ‘Haast’ zou ik het niet durven noemen. Maar bekend vaarwater en een we-zijn-bijna-thuis-gevoel verandert ons onmerkbaar. Jawel, we zijn nog oplettend. En ja hoor, we trimmen onze zeilen nog. Maar in het logboek bijhouden worden we nonchalanter. En mijn aandacht voor de omgeving verflauwt. Ik ben net op dreef geraakt in een boek dat ik voor de vakantie gekocht had om te lezen in de Shetlands. De Vlamberken. Maar toen we daar waren, kwam ik niet aan lezen toe. Nu heeft het spannende verhaal mij in zijn greep.

Het vertrek uit Southwold is nog even spannend, bij de havenuitgang staat flink wat stroom. Maar alles gaat goed. Alleen voor de vuurtoren van Orford Ness haal ik nog even mijn camera bovendeks en dat is het.

In Harwich kun je overnachten in Shotley marina, een naar mijn gevoel beetje saaie jachthaven. Je kan ook de river Orwell opvaren tot aan Suffolk Yacht harbour of Woolverstone marina. Zowel op de river Orwell (rechtdoor) of de river Stour (bakboord uit) kun je aan een boei gaan liggen of ankeren. Maar minstens zo charmant is de Halfpenny Pier van Harwich. De pier dankt zijn naam aan de tol van een halve penny die hier ruim 160 jaar geleden geïnd werd. Maar je moet een beetje geluk hebben want veel ruimte voor jachten is er niet. Wij meren af op de plaats van de ferry. Na 6:00 pm vaart die niet meer en de volgende dag gaan we bij het krieken van de dag vertrekken, dus voor een nachtje kan het wel. All yachts prohibited laten we even voor wat het is… Ik hou van de sfeer hier.

We heffen een glaasje -ik ben jarig!- als we plots een ongewoon zoemend geluid horen. Boven ons zweeft iets als een klein ruimtetuigje -verhip, een drone!-, hangt even stil en maakt dan vliegensvlug rechtsomkeer. Een raar gevoel, zo vanuit de lucht bekeken worden. Maar ‘ieder nadeel heb ze voordeel’ en ik por Las om de bestuurder van de drone te gaan zoeken, ver kan die niet zijn. En inderdaad, op een bankje op de pier zit een man zijn gadget te besturen. En vinden we onderstaande foto’s amper een dag later in onze mailbox!

Op deze foto’s zie je hoe dit antieke stukje Harwich iets weg heeft van een dorp op een schiereilandje. Wat een contrast met Felixstowe aan de overkant, de drukste containerhaven van Groot-Brittannië. Niet te missen in Harwich is de gezellige Alma Inn, waar je lekker kan eten, wat dacht je van gegratineerde oesters of een gegrild kreeftje?

En dan is daar onze laatste tocht, 78 mijl naar Nieuwpoort. Beetje zeilen, beetje halfwinder, beetje motor en voor we het beseffen zijn we terug thuis. Zes zalige weken liggen achter ons. Het smaakt naar meer…