Iedereen wil naar Tobermory…

1 – 3 juni 2024

‘Goh, ja, het is hier mooi… Maar mócht de zon schijnen, dan zou het nog veel mooier zijn.’

Het is met stip het meest gebruikte zinnetje aan boord denk ik. Aan de westkust van Schotland is zon een toverwoord. En voor vandaag zie ik er op mijn weer app een heel klein beetje, zo ergens tussen vijf en zes…

Ten westen van de zuidelijke arm van Mull ligt het eiland Iona, een eiland dat een grote rol speelde in de bekering tot het Christendom van Schotland. Van die tijd, de zesde eeuw, bleef niet veel over omdat de Vikingen het meer dan eens lelijk geplunderd en platgebrand hebben. De abdij dateert van veel later en is een toeristische klepper. Maar wij laten al die heiligheid links, of beter aan bakboord liggen als we de Sound of Iona doorvaren.

Omdat het hier flink kan stromen zijn we pas van onze mooie ankerplek vertrokken met stroom mee. Het is al laat in de namiddag en we plannen een bescheiden tochtje van zo’n 15 mijl naar een ankerplaats tussen de eilanden Gometra en Ulva.

Maar op onze weg ligt Staffa, een wel heel bijzonder vulkanisch eiland dat je door het wisselvallige weer vaker niet dan wel van dichtbij kan bewonderen.

Nog even lijkt het erop dat wolken de pret toch gaan bederven maar hoera, ze lossen wonderwel op, en als we vlakbij zijn kleurt de inmiddels al lage zon de unieke zeshoekige basaltformaties goudgeel.

Nee, ankeren doen we niet en de beroemde Fingal’s Cave bezoeken ook niet, en nee, het gelijknamige muziekstuk van Mendelssohn heb ik evenmin opgezet. We varen gewoon traag langs dit natuurwonder tot zo dicht als we durven. En drijven hier even helemaal alleen en in volslagen stilte…

Een dag later is het weer helemaal omgeslagen en ondervinden we aan den lijve wat het Schotse woord dreich betekent. In 2019 werd het tot meest iconische Schotse woord verkozen en betekent eigenlijk saai, langdradig en traag. Toegepast op het weer wordt dat dan miezerig, mistig, druilerig, motregenachtig, somber. En zo komen we op een very dreich Sunday aan in Tobermory waar we een mooring oppikken. Wie water en elektriciteit wil, kan ook in het haventje gaan liggen, waarvoor je dan het dubbele neertelt, zo’n 40£ ongeveer.

Wat je ook leest over de geschiedenis van Schotland, één begrip komt steevast terug en dat zijn The Clearances, wat zoveel betekent als ‘de ontruiming’. Omdat halfweg de achttiende eeuw grootschalige schapenteelt de oplossing zou zijn voor de toegenomen behoefte aan voedsel en kleding, moesten mensen in de Highlands wijken voor schapen. Men wilde ook af van de nogal eigengereide clans, de traditionele samenlevingsvorm toen. Deze gedwongen en vaak ook gewelddadige emigratie is een dieptepunt in de Schotse geschiedenis. Velen trokken naar Canada of zelfs Australië, de achterblijvers werden naar de kust verjaagd om er te werken in de visserij of de verwerking van zeewier tot soda. Omdat The British Fisheries Society in huisvesting voorzag, groeide Tobermory uit tot het stadje dat het nu is. Of die huizen toen ook al in vrolijke kleuren waren geschilderd weet ik niet, en waarom dat zo is ook niet. Misschien als tegengewicht voor overvloedig dreich weer? 

Tobermory ligt er uitgestorven bij. De winkeltjes zijn gesloten, enkel de distillery is open, de regen drupt van de bontgekleurde gevels en van de kappen van onze zeiljassen als we een ommetje maken langs Main Street.

Maar als de volgende dag het weer opnieuw compleet is omgeslagen, de hemel staalblauw kleurt en de zon schijnt, ben ik niet helemaal zeker van wat ik verkies.

Want ja, de zuurstokkleurtjes van de gevels stralen nu wel vrolijk, maar plots zijn daar ook de horden toeristen… Ze stromen van de tenders van een cruiseboot, stappen massaal uit bussen en auto’s of komen per fiets. Om zich vervolgens als een druk en kleurig lint langs de kleurige geveltjes te slingeren…

We verkiezen de rust van het water en ontvluchten de drukte, laten Tobermory en Mull achter ons en zetten koers langs de kaap van Ardnamurchan, in de richting van The Little Isles…

Eilandgeluiden

24 – 28 mei 2024

Ceol na mara’. De klank van de zee. Maar ook eilanden hebben hun geluiden… Luister je mee naar Jura, het wildste van de Inner Hebrides?

Craighouse, Jura

Als het dikke touw van de visitor mooring, de bezoekersboei, door de verhaalkam is getrokken en stevig op de klamp ligt, kan de motor uit. En hoor ik de muziek die aan komt waaien vanop het strand. Mensen zingen, er klinkt een gitaar, ik herken een nummer van Bob Dylan.

Later, de avond is gevallen, draagt het geluid van een doedelzak ver over het gladde water en lost op in de donkere nacht.

Het dorp Craighouse, dat is vooral de Jura Single Malt Distillery. Een wit met zwart gebouwencomplex. Daarrond wat huisjes, dicht op elkaar maar naarmate ze verder van de stokerij liggen, steeds verder uit elkaar, tot ze schuilgaan in het groen van dik beboste oevers. Het strandje aan de voet van de stokerij is volledig ingenomen door kleurrijke tentjes. Het zijn er meer dan er huisjes in het dorp staan.

Jura. Voor sommigen een lekkere single malt, maar eigenlijk vooral een eiland. Het vierde grootste van de Inner Hebrides, na Skye, Mull en Islay. Of derde grootste als je Skye niet meetelt. Want strikt genomen is Skye geen eiland, nu het met een brug met vasteland Schotland is verbonden. Eilandverzamelaar Haswell Hamish-Smith is streng maar ook toegeeflijk in zijn boek The Scottish Islands. Hoofdstuk 5 kreeg als titel Islands Surrounding Skye en een appendix waarin hij toch maar Skye beschrijft. Een elegante bocht. Maar terug naar Jura. Dat herken je van op zee aan zijn profiel met drie puntige bergen als pronte borsten, The Paps genoemd. Of niet, want vaak zijn ze zedig met wolken bedekt…

De volgende ochtend genieten we, vredig dobberend aan onze visitor mooring, van een ontbijt met versgebakken brood, koffie en zon. En het lieflijke geluid van golfjes, klotsend tegen de romp.

Tot we ons haast verslikken in onze idylle wanneer dreigend gebrom de stilte openrijt.

Dit kan toch geen boot zijn? Groot is onze verbazing als vlak naast ons een elegant, wit met blauw watervliegtuig landt. Het ‘vaart’ nu luid naar de pier waar even later een handvol passagiers uitstapt…

Even terug naar de borsten van Jura en de gekleurde tenten op het strand. De kampeerders zijn hier voor de Isle of Jura Fell Race, in de kalender van gepassioneerde berglopers een wedstrijd waar een uitroepteken bij staat. Je gaat al zweten als je leest wat die race inhoudt. 28 km lopen, waarbij je tussen de verplichte check-points zelf je parcours kiest over ruig en gevaarlijk terrein, en 2370 hoogtemeters over The Paps overwint… Vergeet vooral niet ‘Rócks!’ te schreeuwen naar de lopers vóór je, als je in een afdaling losgewoeld kiezel voelt schuiven, zo staat er in de wedstrijd adviezen. Door de strenge selectiecriteria is meedoen enkel voor wie zijn strepen in berglopen al heeft verdiend. De wedstrijd start om 10:00 in de ochtend.

13:00. Midden in het dorp heeft een enthousiaste menigte een erehaag gevormd en voor elke loper die de finish nadert, het gezicht bezweet en getekend, de benen vol modder en schrammen, gaan aanmoedigingskreten in crescendo, gevolgd door gejoel en applaus. De hele namiddag hangt de klank van heldendom in de lucht. Het pakt.

Loch Tarbert, Comhann Or, Jura

Als het anker ligt, er voldoende ketting achteraan is gerateld en ik nog even in achteruit ben gegaan om zeker te zijn dat we vastliggen, kan de motor uit. En vult de stilte mijn oren. Dwingend, als een fles die volloopt als je ze onder water dompelt. Overrompelend.

Jura is het wildste eiland van de Inner Hebrides.

We zijn nu aan de westkust, op een plek waar een diepe inham het langgerekte eiland bijna doormidden snijdt, Loch Tarbert. Een plek waar geen wegen lopen, waar geen huis te bekennen is, een weg-van-de-wereld plek.

Een ruisend geluid uit de bergen doorbreekt de stilte. Ik tuur met de verrekijker of er een stroompje naar beneden komt, een watervalletje misschien. Ik kan niets ontdekken. Wel zie ik de witte wolkige muts op de berg. Ze beweegt. Vouwt zich over de bergtop heen en zakt naar beneden. Steeds sneller. Het gerommel houdt aan, het lijkt nu een naderende trein. Even later rimpelt het gladde wateroppervlak, een koude wind jaagt over ons heen, de boot rukt aan haar anker. Een valwind. Ik had hem gehoord voor ik hem voelde…

Aan de overkant van onze ankerplek ligt een prachtig verhoogd keienstrand. Ik kan het niet beter beschrijven dan Hamish: “Het is schoon, zonder wier of onkruid en het oppervlak ziet eruit alsof een tuinman de gladde ronde keien net heeft gerakeld.”

Ze zijn zo stevig tegen elkaar aangedrukt dat ze nauwelijks bewegen als je erover loopt. Een taai en knisperend geluid. Ze liggen hier al zo’n 10.000 jaar en zullen hier nog wel even schoon en roerloos blijven liggen…

Morgen ruilen we de eilandgeluiden weer voor de ‘ceol na mara’, de klank van de zee, en trekken 30 mijl verder noord, naar het hoogste eiland van de Inner Hebrides, naar Mull…

Van Ijsland naar Schotland

22 augustus – 18 september 2023

Iemand onderweg tipte ons Troon in Schotland als ideale overwinteringsplek en eind augustus zeilden we 600 mijl van Ijsland naar Stromness in Orkney. We staken de beruchte Pentland Firth over naar Wick en zeilden verder naar Inverness.

Daar kwam vriendin Elke ons vergezellen voor het laatste stuk naar Troon. We waren maar wat blij met een extra bemanningslid bij het vele versassen in het Caledonisch Canal en het Crinan Canal. Na een arctische zomer genoten we volop van een onverwachts zwoele Indian summer in de Scottish Highlands. We zwommen in Loch Ness en beklommen de Ben Nevis, wat een afsluiter!

We proefden nog whisky in Oban en genoten ten slotte op onze laatste zeildag van 2023 van een heerlijk zeilweertje!

Kijk en luister* je mee?

*Deze muziek komt uit het heerlijke album Forever Fortune van Les Musiciens de Saint-Julien met achttiende-eeuwse Schotse muziek. Het nummer heet John Anderson My Jo.

En hier nog eens de plaatsen die we aandeden in Schotland. Wie benieuwd is naar alle verhalen, verwijs ik graag naar Polarsteps

Stromness
Kirk Hope 
Wick
Portmahomack
Inverness
Urquhart, Loch Ness
Ardrishaig, Loch Oich
Banavie
Fort William
Oban
Dunardry Locks
Tarbert
Troon

Van de Faeröer eilanden naar Ijsland

28 juni – 21 augustus 2023

Eind juni sjeesden we dus met 30 tot 35 knopen bakstagwind naar Djúpivogur, halfweg de Ijslandse oostkust. De hardnekkige zeeziekte van onze opstapper was snel vergeten als we na 270 mijl Ijsland bereikten. Vanuit Djúpivogur vertrokken we noord. Vergeet georganiseerde jachthavens zoals bij ons, afmeren gebeurt meestal aan kades met autobanden, soms langszij vissersschepen. We knutselden met lange lijnen, fenders en fenderplanken…

Een hoogtepunt werd het eilandje Grimsey dat net op de poolcirkel ligt, je struikelt er over duizenden puffins…

Nog aan de noordkust werden we verrast door een uit Groenland afgedreven ijsberg, gelukkig op ruime afstand. Daarna volgden de indrukwekkende Westfjorden. En zo regen we plek na plek aaneen, steeds op het moment zelf beslissend wat onze volgende bestemming zou worden.

Een tweede hoogtepunt was onze ankerplaats bij het eiland Flatey, een oude vulkaankrater…

We zeilden verder zuid tot het bruisende Reykjavík.

In de zeven weken die we in Ijsland doorbrachten huurden we geregeld een auto om het niet te missen binnenland te verkennen. We gingen ook 4 dagen kamperen met een stoere 4×4, zo indrukwekkend dat we een landschapsindigestie nabij waren.

Onze omzeiling eindigde in Vestmannaeyjar, het derde hoogtepunt van onze Ijsland saga.

Dit eiland werd 50 jaar geleden na een onverwachte vulkaanuitbarsting net niet bedolven onder as en lava.

Kijk en luister* je mee?

*Deze muziek is van het Ijslandse groepje Systur. Het nummer, waarmee ze in 2022 deelnamen aan het Eurovisiesongfestival, heet Með hækkandi sól, wat zoveel betekent als ‘Met de opkomende zon’…

En hier nog een lijstje met de plaatsen waar we kwamen in Ijsland… Wie er alle details op wil nalezen, verwijs ik graag naar mijn reisdagboek in Polarsteps!

Djúpivogur
Eskifjörður
Raufarhöfn
Húsavik
Grimsey
Siglufjörður
Ísafjörður
Suðureyri
Flateyri
Patreksfjörður
Flatey
Ólafsvík
Akranes
Reykjavík
Grindavík
Vestmannaeyjar

Van Shetland naar de Faeröer eilanden

1 – 27 juni 2023

Een rustige oversteek van 194 mijl bracht ons in 34 uur op Suðuroy, het zuidelijkste van de Faeröer eilanden. In mijn hoofd was dit een ongenaakbare, duistere archipel met gevaarlijke stromingen, mist en regen. Maar we troffen er zonnige dagen, leerden de stromingen begrijpen met de onmisbare Rák app, en verbaasden ons over de wonderlijke natuur met duizelingwekkende kliffen, steile rotswanden, blauw en groen.

Een deel van de eilanden ontdekten we varend, maar we huurden ook een auto om op plaatsen te komen die per boot niet of niet gemakkelijk bereikbaar waren.

Wat mij het meest zal blijblijven is onze ankerplaats bij het dorp Tjørnuvík.

Je kijkt er uit op Risin en Kellingin. Een legende vertelt hoe deze reus en zijn vrouw vanuit Ijsland waren gekomen om de Faeröer eilanden te stelen. Maar het wegslepen ervan was lastiger dan gedacht en toen ze bij dageraad nog aan het wrikken en sleuren waren, versteenden ze door de opkomende zon. Om halfweg juni een foto te maken met de opkomende zon precies achter deze indrukwekkende sea stacks moet je vroeg opstaan. Maar helaas, op de ochtend dat ik er om 04:00 helemaal klaar voor was, versluierden mistige wolken de zon. Maar ik gaf me niet gewonnen en bleef hoopvol kijken. En al kreeg ik, alle moed en zelfopoffering ten spijt, de zon niet te zien, het leverde toch een mooi plaatje op…

Kijk en luister* je mee?

*De muziek is van de Faeroerse zangeres Eivør. Het nummer heet Trøllabundin en komt uit haar album Slør.

Dit zijn de plekken die we bezochten en alle details kan je lezen in Polarsteps

Vágur, Sudurøy
Skálavik, Sandoy
Nølsoy
Tórshavn
Leirvik
Tjørnuvík
Eidi
Vestmanna
Hestur
Miðvágur

Van Noorwegen naar Shetland

20 april – 30 mei 2023

Na een gezellige winter thuis vonden we eind april een mooi moment om onze reis te vervolgen. Voor we naar Florø doorreisden waar onze boot overwinterde, bleven we nog een paar dagen in Oslo. En vooraleer we het prachtige Noorwegen finaal verlieten, hopten we nog twee tochtjes zuidwaarts, naar Svanøy en Bulandet.

Begin mei bracht een oversteek van 188 mijl ons van het mooie Noorwegen naar de wilde Shetland eilanden.

We werden steeds beter in onthaasten als we daar geregeld verwaaid lagen. Als we niet zeilden, huurden we een auto, wandelden of fietsten. Dat de Shetlanders warm en hartelijk waren wisten we al, maar dat er zo veel ongerepte stranden waren was een ontdekking.

Even om Muckle Flugga Lighthouse heen zeilen, zoals vaag gehoopt, bleek door aanhoudende westenwinden een ijdel plan dat we wijselijk lieten varen… We hielden ons gedeisd in de luwte van de oostkust…

Kijk en luister* je mee?

* Het muzieknummer heet Shetland Titles en komt uit het album Shetland (Original Television Soundtrack) van John Lunn.

Hierbij nog wat links, naar de plaatsen waar we waren, naar de Polarsteps voor wie alle details wil, en ten slotte naar enkele artikelen die ik voor Zeilhelden schreef…

Florø
Svanøy
Bulandet
Symbister, Whalsay
Cat Firth, Mainland
Lerwick, Mainland
Out Skerries
Fetlar
Baltasound, Unst
Cullivoe, Yell

Naar de Polarsteps

Zeilhelden: Pat Panick-blog: De Vikingen achterna?

Zeilhelden: Pat Panick-blog: Onthaasten in Shetland

Middernachtzon, Noordkaap en walvissen

Op Facebook verrast iemand me met een reactie, en een foto… De persoon schrijft dat hij/zij een ansichtkaart kocht in Noorwegen in 1977. Het was een langwerpige kaart, met afgeronde hoeken en oververzadigde kleuren, hip in die tijd. Ooit, en dat kan wel eind jaren ’70 geweest zijn, stuurde mijn vader mij precies dezelfde kaart uit Noorwegen… Op de achterkant de vraag of ik iets bijzonders kon opmerken. Gefascineerd stelde ik toen vast dat de zon zakte en, zonder onder de horizon te gaan, weer opkwam. Jarenlang hing ze in mijn tienerkamer…

Nessun dorma! Het is wat de middernachtzon hier dicteert van ongeveer half mei tot eind juli… Net als in die beroemde aria uit Puccini’s opera Turandot. ‘Dat niemand slaapt, opblijven iedereen!’

10 juli 2022 – Sandland

Steinar lacht. ‘Ja, we slapen weinig in de zomer’, zegt hij. ‘Vijf uur per nacht, hooguit. En we zijn bezig, altijd maar bezig. We zijn zo druk dat we eigenlijk bijna opgelucht zijn als het donkere seizoen zich weer aandient…’ Met zijn lichtrosse haar lijkt Steinar wel een Viking. Samen met Stina baat hij de haven van Sandland uit. Britten komen er graag om te vissen. Wij liggen er afgemeerd als enige bezoeker aan een gloednieuw ponton. Het zomert en daar mogen we heel blij om zijn volgens Stina. ‘Vier winters hebben we gehad, afgelopen winter… In mei viel er nog zo veel sneeuw dat de feestelijkheden voor de nationale feestdag werden afgelast. En vorig jaar in juni was 9°C heel gewoon…’

Dit uitzonderlijk mooie weer maakt van Noord-Noorwegen ineens een verrassend exotische plek, met hagelwitte strandjes en appelblauwzeegroen water. Waarvan de temperatuur, 12°C, je er wel aan herinnert dat je boven de Poolcirkel bent

En de middernachtzon regeert. We gaan slapen om middernacht, omdat het nu eenmaal moet. Het is dan even licht als twaalf uur eerder. Dwingend licht. Want de zon staat nu laag en schittert als een verblindende ster, op ooghoogte. Toch maar naar bed. Vier uur later, tijd voor een plas. Weer is daar die oogverblindende bol. Actie, tijd voor actie! Je negeert het, vlucht je bed in en trekt het dekbed over je ogen. Doe je best en slaap! Of doe iets anders. Naar de Noordkaap varen bijvoorbeeld. En dat hebben we dan ook gedaan. 

Drie dagen eerder – 7 juli 2022 – Gjesvær

We varen de haven in en ik voel het meteen. Gjesvær is een plek naar mijn hart, puur, simpel, stil. Vissers en vogelsafari’s. Kleuren en vormen in perfecte harmonie. Het idee om van hieruit een bus of taxi te kunnen versieren naar de Noordkaap blijkt een vergissing. En we beslissen om er gewoon heen te váren. ’s Nachts. Want tot hiertoe hebben we ons vooral druk gemaakt om die middernachtzon en er nog niets mee gedaan…

En zo schuiven we na de middag de verduisterende gordijntjes dicht en nemen vier uur voorschot op onze nachtrust. Om tien uur ’s avonds tuffen we traag de haven van Gjesvær uit. Honderden vogels vliegen af en aan, de zon roostert de ruige kust karamelbruin. De zee deint, glad en glanzend. Zeilen zit er niet in maar dat is het laatste van onze zorgen. Wist je dat de Noordkaap eigenlijk niet het noordelijkste punt van Europa is? Dat is Knivskjellodden, een lage klip die ongeveer 1 mijl dieper in zee steekt. Maar toch is de indrukwekkender Noordkaap met zijn 307 meter steile rotswand met de eeuwige roem gaan lopen. We varen tot vlak onder de kaap en zien hoog boven ons de globe en de toeristen. Op de terugweg worden we verrast door gesnuif en fonteinen, walvissen! Traag komen ze boven water, duiken en komen minuten later op een heel andere plek weer even boven. Uren blijven we dobberen en komen ogen te kort. Magisch.

Nessun dorma! Luister hoe de aria eindigt in aanzwellende triomf. Het is hoe we ons voelen bij het binnenvaren in Gjesvær, dat nu, iets over drie, badend in het licht, de kleur van honing heeft. Zon of geen zon, nu gaan we toch slapen…

Bergen, Hipp Hipp Hurra!

15 mei 2022. Al van ver zie ik ze door de verrekijker, de iconische rood en oranje huizen van de wijk Bryggen in Bergen. Maar wat ik ook zie, is dat de kade eronder afgeladen vol ligt met boten, rijen dik. De havenmeester verwijst ons naar de kade bij de Fiskeforget, waar we nog net langszij kunnen afmeren bij een Zwitserse zeilboot, Raroia. Wat we nog niet weten, is dat we hier op de eerste rij gaan liggen voor hét grootste feest in Noorwegen, de Syttende Mai… Een nationale feestdag als geen ander, Hipp Hipp Hurra!

17 mei 2022. Om zeven uur ’s morgens worden we opgeschrikt door een bulderend kanonschot. Het davert en weergalmt in de zeven bergen rondom. Er volgen nog meer schoten, rook kringelt omhoog tegen de helling. Bergen ontploft.

Dwars door de stad paraderen niet veel later alle denkbare verenigingen, opgedoft en met een onwaarschijnlijk enthousiasme. Scholen, studentenkringen, verpleegsters, brandweerlui, politie, zeelui… Maar ook kinderen, soms in militair aandoende outfits, houten kruisbogen of geweren over de schouder… Iedereen, jong en oud, wappert driftig met Noorse vlaggetjes en velen dragen de Bunad, de traditionele kledij. Er zijn ook fanfares, veel fanfares. De parcours van parades en fanfares kruisen elkaar, tromgeroffel en trompetten versmelten in een uitbundige kakafonie.

Vanuit huizen en vanop balkons klinkt gezang en handgeklap, jongeren vieren feestjes en het gaat er luidruchtig aan toe. Gratulerer med dagen! klinkt het overal. Gefeliciteerd! Noren beginnen deze dag traditioneel met een royaal ontbijt. Eitjes en zalm, aardbeien en champagne. Verder eten ze de hele dag ijs, veel ijs. En ze blijven drinken… Ik denk aan de wijnkaart van Fjellskål, het visrestaurant waarvoor we afgemeerd liggen. Gisteren dachten we nog dat 199 kr (19,90 €) voor een Sancerre toch niet gek was, tot we zagen dat de prijzen op de kaart per glas waren… Nu zit het restaurant tjokvol en op elke tafel staan flessen wijn en champagne. Hier wordt omzet gedraaid.

In de natste stad van Europa is het stralend lenteweer, de zon straalt aan een helblauwe hemel. Er volgen nog een vliegshow, een optocht met oldtimers en een botenparade. Alle boten zijn versierd met Noorse vlaggen en berkengroen of bjørk, symbool voor de ontluikende lente, nieuw leven, energie. Iets waar men hier in het Noorden, na een lange donkere winter, reikhalzend naar uitkijkt. Of dit groter is dan Kerstmis vraag ik iemand. Het is vooral anders, weet de dame me te vertellen, Kerstmis is intiem, dit is uitbundig, het speelt zich buiten af en iedereen komt samen. Het is bovendien de eerste keer sinds Covid dat de feestelijkheden weer mogen doorgaan.

Het toenemende alcoholpercentage levert grappige taferelen op, we komen ogen tekort. Op sommige bootjes zitten dubbel zoveel mensen als die bootjes aankunnen waardoor ze vervaarlijk gaan hellen. Licht of minder licht benevelde dames in bunad en op schoenen met hakken klauteren over boten, soms acht rijen dik. Een hondje wordt doorgegeven.

Een meisje hangt tegen haar vriendin, het gaat niet echt goed met haar. Even later komt een hulpverlener en nog even later is ze weg met de ambulanse. Morgen wordt ze beslist met een joekel van een kater wakker in het ziekenhuis.

Een jongen worstelt met hoogwater en weet duidelijk niet meer waar de toiletten zijn. Hij kiest dan maar het elektriciteitsbakje van de kade. Het blijft maar klateren. Dan komt de moeilijkste opdracht, de broek dicht en de riem ook. Het laatste lukt maar niet. Hij wankelt, wanhopig op zoek naar gesp en gaatjes. Dan gaat ook nog zijn telefoon. Hij neemt op, begint een gesprek en waggelt verder, de riem open, het hemd uit de broek, een hulpeloze witte vlag.

Om middernacht sluit een knallend vuurwerk het feest af. De hemel licht op.

Niet ver van Bergen ligt een eilandje met de naam Lysøen, eiland van het licht. Het is een idyllische plek waar het zomerhuis van beroemde Noor Ole Bull staat, een negentiende-eeuws componist en overtuigd nationalist. Daags voor we Bergen aandoen overnachten we er op anker. We maken een mooie wandeling en luisteren de hele avond naar zijn muziek. Doorgedreven nationalisme zoals dat van de Noren is niet echt aan ons besteed, maar dit is mooie muziek. Luister bij voorbeeld eens naar Et Sæterbesøg, op het album vertaald als A Mountain Vision

En terwijl we het over bergen hebben, de dag voor de Syttende Mai trekken we nog naar Ulriken, met zijn 643 meter de hoogste van de zeven bergen rond… Bergen. We gaan omhoog met de kabelbaan, maken een mooie wandeling naar de top en keren te voet, 1300 treden naar beneden, terug. Het beetje spierpijn dat ik daaraan overhoud valt beslist in het niet bij de koppijntjes van heel wat Bergenaars op 18 mei…

Saint-Quay-Portrieux, laatste stop in Bretagne

26 oktober 2020

Iemand op de radio zegt dat je een verhaal niet mag laten afkoelen, dat je het moet vertellen terwijl het nog warm is… En ik besef dat dit nu net is wat ik de afgelopen weken, maanden heb gedaan. Mijn verhalen laten afkoelen… Ze moeten intussen bijna beschimmeld zijn, zo veel tijd is er overheen gegaan. Is het de zwaarte van deze vreemde tijd, het verlammende van dat griezelige virus, het gebrek aan perspectief? Wachtend op ik weet niet wat zijn ze afgekoeld, bijna uitgedoofd. En wát als ik ze nu eens zachtjes weer nieuw leven inblaas, zoals je met een smeulend vuurtje doet? En je meeneem naar afgelopen zomer, naar Bretagne? Meer bepaald naar de plek en het moment waarop we niet alleen een schattig dametje maar ook een wel erg knappe man ontmoetten…

19 juli 2020

In een overvolle souvenirwinkel, het soort winkel waar mijn schipper een hekel aan heeft maar waar ik moeilijk aan kan weerstaan, komt ze me tegemoet. Met haar groene jurk, wit schortje en mutsje, rode paraplu, waait ze bijna van de stevige porseleinen beker waarop ze afgebeeld staat. Bretoense snuisterijen, Bretoense koekjes, Bretoense cider, Bretoense lepels, Bretoense koelkastmagneetjes, van alles veel en van veel nog meer. Ik neem de beker in mijn hand en denk aan geurige thee tijdens nachtelijke zeiltochten, dampende koffie bij het ochtendgloren…

We zijn in Saint-Quay-Portrieux, Bretagne. Aangekomen na een rustig zeiltochtje van amper 16 mijl vanuit het prachtige Île-de-Bréhat. Waar we behalve succesvol geankerd ook heel bekoorlijk gewandeld hebben. Als hopelijk in een niet zo verre toekomst Covid-19 iets van vroeger is geworden en je opnieuw vakantie plant, met of zonder boot, ga er dan eens heen, je zult het er prachtig vinden.

De marina van Saint-Quay-Portrieux zou ik kunnen omschrijven als een grote, perfect gerunde jachthaven met nette pontons en verzorgd sanitair.

Maar ik zal deze plek vooral onthouden als de jachthaven met het charmantste onthaal op deze vakantie tot dusver. Zonnebril noch mondmasker kunnen verhullen dat de jonge assistent-havenmeester die ons naar een ligplaats begeleidt een echte knapperd is. Disons qu’il est canon, quoi! Maar hij is niet alleen knap, hij is ook heel galant. We krijgen een ruim bemeten plek langszij een royaal ponton, waarvan deze Bretoense halfgod zelfs een klamp losschroeft en verplaatst zodat we optimaal kunnen afmeren. Aan de andere kant van deze steiger liggen een Grand Soleil 56 en een Pershing 65… We zijn onder de indruk. Hij overhandigt ons de codes voor het sanitair, een mapje met informatiefoldertjes en neemt ook nog eens uitgebreid de tijd om dat van de nodige uitleg te voorzien. Zijn charme naturelle -het moet van het frivole Ce n’est Rien van Julien Clerc geleden zijn dat ik nog zo’n sexy Frans hoorde-, doet zin krijgen in een dansje en maakt het niet eenvoudig om er de aandacht bij te houden.

Maar laat ons de kalmte bewaren en terugkeren naar Bécassine. Want zo heet dat Bretoense juffertje, dat in 1905 als eerste Franse vrouwelijke stripfiguurtje het levenslicht zag en hier in deze overvolle souvenirwinkel op een porseleinen beker prijkt. Sexy kun je haar niet noemen, eerder mignonne.

Het toeval wil dat onze boot, voor het onze boot was, B. Bommel heette. Vernoemd naar de Nederlandse stripfiguur Olivier B. Bommel. De eigenaar zal daar zijn motieven voor hebben, aangezien zijn huidig schip ook nu weer De Bommel heet. Er zijn er die voor minder een cirkel rond verklaren. Als bovendien nog blijkt dat het porselein met Bécassine niet in China maar hier in Bretagne wordt gemaakt, heb ik voldoende argumenten voor de aankoop van twee bekers. De frons van mijn schipper neem ik er bij, meningsverschillen als deze beschouw ik als verwaarloosbaar aan boord..

Want we doen ook nuttige inkopen. De terugtocht nadert en er moet proviand voorzien worden. Dat dit hier ook op zondag kan in een behoorlijk goed gesorteerde superette is een meevaller. Ten slotte sluiten we ons verblijf af met een prachtige wandeling langs de kust met zicht op de prachtige Baie de Saint-Brieuc.

’s Avonds buigen we ons over het weerbericht voor de komende dagen. Er wordt een stevige NNE voorspeld, precies waar we heen moeten. Ik kijk naar Bécassine en ineens doet ze me denken aan een oude mop die mijn moeder wel eens vertelde.

Een boerinnetje fietst met twee zware manden vol eieren naar de markt. Het is een heel eind, ze heeft de wind stevig op kop. Puffend en trappend bidt ze vurig tot Onze Lieve Heer, de hele weg lang. Of hij de wind toch maar kan laten draaien. In schuim en zweet komt ze aan op de markt. Ze verkoopt er de eitjes, koopt met de verdiende centen het nodige proviand en hijst enkele uren later de opnieuw zwaar geladen manden op haar fiets om de terugtocht aan te vatten. En zie, daar blijkt haar gebed verhoord! De wind is 180° gedraaid…

Misschien had ik dat schietgebedje niet mogen maken, twee weken geleden, in Dieppe, op onze heenreis, toen de wind aanhoudend tegenzat en ik heel wat over had voor wat wind uit het N, het E of iets er tussenin. Nu krijg ik waar ik om gevraagd heb… Maar onze grootste zorg is niet 90 mijl tegenwind varen tot bij voorbeeld Cherbourg maar wel de timing om de stroom mee te kunnen pakken bij de beruchte Cap de la Hague . Want één ding is zeker, je wil niét op het verkeerde moment in de Alderney Race verzeild raken!

Hoe dat afloopt vertel ik een volgende keer!

Quarantaine in plaats van zeilseizoen

De Goede Week. Nog één keer slapen en het is Pasen.

Het corona-virus haalt onze levens overhoop. Wat begint met gemengde gevoelens die balanceren tussen ongeloof -is het allemaal niet wat overdreven- en lichte paniek -is die droge kuch wel normaal-, strandt bij nuchter besef -dit is serieus-. Winkels en restaurants sluiten, scholen gaan dicht, ik verhuis mijn kantoor naar huis. De tandartspraktijk van mijn lief gaat in lockdown op wat telefonisch advies na.

Ik heb het best druk in mijn home-office wat er voor zorgt dat hij het grootste deel van de dag, behalve zonder werk, ook zonder mij zit. En… zonder boot. Zo vangt eind maart deze vreemde quarantaine aan. In plaats van een zeilseizoen. Niemand kan de duur ervan voorspellen, noch de impact ervan op het leven erna. We beginnen te rekenen en tellen. Mocht het opgelost zijn tegen dan en dan, dan kunnen we dan en dan nog om de boot. En kunnen we dan en dan nog met vakantie.

Maar naarmate de dagen en weken vorderen versomberen de nieuwsberichten en we stoppen met het maken van veronderstellingen over de haalbaarheid van welke zeilvakantie ook. We houden op met het ophalen van herinneringen aan het paasweekend van vorig jaar, en dat van het jaar daarvoor, en dat daarvoor…

IMG_9795

En gaan op zoek gaan naar een nieuw evenwicht.

Mijn schipper maakt slaatjes, soep en cake, stopt was in de machine, stofzuigt en brengt me koffie terwijl ik werk, ik laat me de luxe van mijn kersverse huisman welgevallen. Maar het gemis van de boot knaagt, troost wordt steeds vaker in de koekjesdoos gezocht, quarantaine-kilo’s liggen op de loer. En we beginnen te wandelen. Dagelijks.

We wonen op wandelafstand van het strand en stappen elke dag naar zee. Laag tij, hoog water, westenwind, oostenwind, veel wind, geen wind. We zoeken troost in wolken, kleuren, schelpen, bloesems in de duinen. De lente ontploft, het is ineens zomer in april, maar nog nooit lag het strand van Oostduinkerke er zo verlaten bij.

Morgen is het Pasen. Dan vieren we herrijzenis. En hoop…

Aan iedereen een liefdevol Paasfeest!

(Graag deel ik mijn impressies van onze ‘effe-uit-ons-kot’-wandelingen met een stuk onsterfelijke muziek: J. S. Bach – Matthäus Passion – BWV 244 – Collegium Vocale Gent & Philippe Herreweghe – No. 1. Chorus I & II “Kommt, Ihr Töchter, Helft Mir Klagen”)